Doolaege, Verbist & De Meyere groepsfoto
Interne circulaire : stopzetting controles voorschot liquidatiebonus
10-11-2017

Met ingang vanaf 1 oktober 2014 werd het tarief roerende voorheffing op de liquidatiebonus opgetrokken van 10% naar 25%.

 

Heel wat bedrijven beslisten daarom om vóór die datum nog in vereffening te gaan. Het was niet vereist dat de vereffening nog vóór 1 oktober zou zijn gesloten, daarom werden voorschotten toegekend. De minister van financiën had in antwoord op een parlementaire vraag reeds bevestigd dat de toekenning van deze voorschotten de roerende voorheffing verschuldigd maakt, waardoor de aanslagvoet 10% of 25% bedroeg naargelang de voorschotten waren toegekend vóór of na 1 oktober 2014. Niettemin voerde de fiscus een gecoördineerde controleactie uit op de liquidatiebonus waarbij zij toch 25% roerende voorheffing vorderde op voorschotten op liquidatieboni die waren toegekend vóór 1 oktober 2014.

controle

 

De minister van financiën Johan Van Overtveldt had in een persbericht reeds laten verstaan dat de controles met onmiddellijke ingang zouden worden stopgezet. Dit wordt nu bevestigd in een interne Circulaire. De controleactie wordt in elke stand van de procedure stopgezet.


Ondernemers en vrije beroepen die ten onrechte een aanslag van 25 procent kregen op de liquidatiebonus, moeten een bezwaar indienen.

BTW–administratie aanvaardt het 'substance over form'-principe bij de uitoefening van het recht op aftrek.
20-10-2017

Opdat een btw-belastingplichtige de btw geheven op aan hem geleverde goederen of diensten in aftrek kan brengen, stelt de Belgische wetgeving enerzijds materiële vereisten en anderzijds formele vereisten.

 

materiële vereisten

 

Materieel is vereist dat de aan de belastingplichtige geleverde goederen of diensten gebruikt worden voor het verrichten van (limitatief in het btw-wetboek opgesomde) handelingen die recht op aftrek verlenen.

 

formele vereisten

 

Formeel dient de belastingplichtige in het bezit te zijn van een factuur waarop bepaalde in de wetgeving voorziene vermeldingen voorkomen.

 


factuur

 

In het verleden weigerde de btw-administratie regelmatig de btw-aftrek toe te staan omdat niet voldaan was aan de formele vereisten, ook al lag het bewijs voor dat voldaan was aan de materiele voorwaarde.

 

Het Hof van Justitie oordeelde reeds in verschillende arresten dat het fundamentele beginsel van btw-neutraliteit eist dat aftrek van de voorbelasting wordt toegestaan indien de materiële voorwaarden daartoe zijn vervuld, ook wanneer een belastingplichtige niet voldoet aan bepaalde formele voorwaarden.

 

Onder druk van deze rechtspraak heeft de Belgische btw-administratie nu in een circulaire van 12 oktober 2017 dit 'substance over form'-principe bevestigd. http://ccff02.minfin.fgov.be/KMWeb/document.do?method=view&id=242e3891-13a6-4007-bcaf-833daae839d4

Wanneer de door de belastingplichtige voorgelegde factuur niet regelmatig/onvolledig is, zal de administratie in het concrete geval het recht op aftrek beoordelen op basis van een gecorrigeerde factuur en/of in combinatie met aanvullende bewijskrachtige stukken die ondubbelzinnig betrekking hebben op de factuur (zoals bijvoorbeeld contracten, bestelbonnen, offertes, correspondentie, enz.) en die door de belastingplichtige worden voorgelegd.

 

Met andere woorden, bij wijze van voorbeeld, als de belastingplichtige kan bewijzen dat bepaalde goederen daadwerkelijk aan hem werden geleverd, zal het recht op aftrek niet meer kunnen worden verworpen omdat bijvoorbeeld de datum van levering op de factuur ontbreekt.

 

Uiteraard is wel vereist dat de belastingplichtige het bewijs levert dat voldaan is aan de materiële voorwaarden voor het recht op aftrek (en dat hij niet betrokken was bij fraude).

De fiscale administratie mag geen dwang uitoefenen bij fiscale visitatie.
18-10-2017

Het Grondwettelijk Hof heeft zich op 12 oktober 2017 uitgesproken over de wettelijke bepalingen inzake fiscale visitaties in zowel inkomstenbelastingen als btw. Een rechter van de rechtbank van eerste aanleg in Oost-Vlaanderen (afdeling Gent) vroeg zich af of deze bepalingen in overeenstemming zijn met recht op privéleven (gewaarborgd door artikel 15 en 22 van de Grondwet en artikel 8 EVRM)(arrest 116/2017). Het Grondwettelijk Hof heeft enkel uitspraak gedaan over fiscale bezoeken van bedrijfslokalen en dus niet over de mogelijkheid van de fiscus om woningen te bezoeken (zie overweging B.4).

 

minfin

 

 

Het Grondwettelijk Hof bevestigt dat de verplichting van belastingplichtigen om de administratie toe te laten in hun beroepslokalen, een inmenging vormt in het privéleven (overweging B.5). De vermelde grondrechtenbepalingen (artikel 15 en 22 van de Grondwet en artikel 8 EVRM) zijn dus van toepassing. Tot daar geen nieuws. Een inmenging in het recht op privéleven door de overheid is evenwel slechts mogelijk voor zover de wet dit toestaat, er een legitiem doel wordt nagestreefd en de inmenging proportioneel is aan dit legitiem doel.

 

wettelijke grondslag

Wat de vereiste betreft dat er een wettelijke grondslag moet zijn, bevestigt het Hof dat er maar sprake kan zijn van een wettelijke grondslag als deze ook voldoende duidelijk is voor de belastingplichtige tot wie hij is gericht (overweging B.8.). Dit wordt ook de vereiste van de voorzienbaarheid genoemd. Hoewel er reeds diverse jaren een discussie bestaat in de rechtspraak over de vraag of de wet toestaat dat de fiscale administratie actief op zoek gaat naar de boekhouding (door bijvoorbeeld kasten open te trekken), vindt het Grondwettelijk Hof dat de wet voldoende duidelijk is. Voor het Grondwettelijk Hof moet de wet zo worden gelezen dat de belastingplichtige steeds de toegang kan weigeren (overweging B.10.2). De fiscale administratie kan zich dus geen toegang forceren. Eens de vrije toegang door de belastingplichtige werd verschaft, kan de fiscale administratie ook niet eigenmachtig de inzage van boeken en stukken afdwingen indien de belastingplichtige zich daartegen verzet (overweging B.11.3). In geval van verzet (tegen de vrije toegang of tegen de inzage van boeken en stukken), kan de fiscale administratie volgens het Grondwettelijk Hof dus alleen administratieve boetes opleggen of aan het parket melden in geval er kennis is van feiten die strafrechterlijk sanctioneerbaar zijn. Het Grondwettelijk Hof stelt ook dat er bij weigering een ambtshalve aanslag kan worden opgelegd. Dit is evenwel onjuist. Artikel 351 W.I.B. 1992 vermeldt de gevallen waarin een ambtshalve aanslag kan worden opgelegd en de weigering om mee te werken aan een visitaitie op grond van artikel 319 W.I.B. 1992 behoort hier niet toe.

 

proportionaliteit

Wat de proportionaliteit betreft stelt het Grondwettelijk Hof dat de wettelijke bepalingen die een visitatie mogelijk maken evenredige maatregelen zijn gelet op het beoogde fiscale doel. Die stelling is gebaseerd op de vaststelling dat er voldoende procedurele waarborgen zijn tegen misbruik. Hiermee wordt in wezen bedoeld dat, zo er sprake is van disproportionele inmengingen in het privéleven, er voldoende procedures zijn die toelaten dat deze inmengingen kunnen worden voorkomen of minstens kunnen worden aangevochten op een doeltreffende manier. Hier neemt het Grondwettelijk Hof genoegen met het feit dat de ambtenaar in het bezit moet zijn van een aanstellingsbewijs, dat hij de beroepsactiviteit van de belastingplichtige niet mag belemmeren en het beroepsgeheim moet respecteren.

 


controle

 

 

kanttekeningen

 

Er kunnen toch belangrijke kanttekeningen worden geplaatst bij deze “procedurele waarborgen tegen misbruik”. Vooreerst houdt de vereiste dat het aanstellingsbewijs moet worden voorgelegd weinig om het lijf. Het Hof van Cassatie heeft immers al gezegd dat de ambtenaren dit bewijs niet spontaan moeten tonen (Cass. 12 september 2008) er dat er ook geen probleem is wanneer het aanstellingsbewijs er niet is en de belastingplichtige met de visitatie heeft ingestemd (Cass. 17 februari 2015). Het verbod om de beroepsactiviteit te belemmeren wordt niet door de wet opgelegd. De verplichting om het beroepsgeheim te respecteren geldt ten slotte enkel voor visitaties bij personen die het beroepsgeheim moeten respecteren. Bovendien is er enkel in inkomstenbelastingen een procedure hiervoor uitgewerkt (artikel 334 W.I.B. 1992), en is dit tot op heden niet het geval in btw-zaken. De bestaande procedures lijken dan ook niet te verhinderen dat er onrechtmatige inmengingen in het privéleven zijn. Bovendien is er ook geen waarborg op een doeltreffende betwisting van onrechtmatige inmengingen, post factum. Er kan wel worden gediscussieerd over de fiscale visitatie ter gelegenheid van de betwisting van de aanslag of btw-navordering zelf (of eventueel voordien, via een zogenaamd pretaxatiegeschil). Zonder verplichting om een proces-verbaal op te stellen over wat zich tijdens deze visitatie heeft voorgedaan, is een post factum gerechterlijke controle evenwel weinig effectief. Wat doe je immers als de fiscus tijdens de gerechterlijke procedure de feiten ontkent of een andere intepretatie geeft aan de feiten?

 

Tot slot is het nog belangrijk op te merken dat dit arrest van het Grondwettelijk Hof, dat de proportionaliteit controleerde van de wettelijke bepalingen die de visitatie toelaten, niet uitsluit dat elke rechter in een individueel geval steeds zal moeten nagaan of de visitatie in concreto wel proportioneel is in de zin van artikel 8 EVRM.

 

Samenvattend kan worden gesteld dat het Grondwettelijk Hof van oordeel is dat de wet inzake de fiscale visitatie op zich voldoende waarborgen tegen misbruik bevat. Hoewel de belastingplichtige een meewerkplicht heeft, kan de fiscale visitatie niet worden afgedwongen door de fiscus. Als de fiscus bepaalde onderzoekshandelingen stelt waartegen de belastingplichtige zich verzet, dan mag de fiscus niet eigenmachtig verder optreden. Dit verzet zal wel moeten worden bewezen.

 

Een belastingplichtige moet telkens afwegen of hij voldoet aan zijn medewerkingsplicht tijdens de fiscale controle, dan wel of hij zich verzet tegen bepaalde onderzoekshandelingen.

 


 

Om een fiscale visitatie in goede banen te leiden is het nuttig dat een onderneming over een procedure beschikt die moet worden gevolgd door personeelsleden en/of bestuurders tijdens een fiscale visitatie. Zo’n procedure bevat onder meer de gegevens van de personen die kunnen worden gecontacteerd bij de start van de visitatie, kort overzicht van de toepasselijke regels (formaliteiten, wat is wettelijk toegelaten, wat is niet toegelaten), stappenplan, ...

Met een dergelijk STAPPENPLAN kunnen heel wat discussies nadien worden vermeden.

Abnormale of goedgunstige voordelen bij de verkoop van een apotheek.
06-06-2017

In een arrest van 27 april 2017 heeft het Hof van Cassatie zich uitgesproken over abnormale of goedgunstige voordelen bij de verkoop van een apotheek aan een vennootschap (AR F.15.0173.F).

apotheek

 

Een apotheker verkoopt zijn officina aan een vennootschap en neemt daarbij het K.B. van 13 april 1977 in acht. Het K.B. voorziet in een maximumprijs voor de overdracht van een voor het publiek opengestelde apotheek. Een aantal maanden later koopt de vennootschap ook de helft van de blote eigendom van het gebouw waarin de apotheek zich bevindt. Het vruchtgebruik en de overige helft van de blote eigendom worden gekocht door de moeder van de oorspronkelijke apotheker. Een klein jaar later verhuist de apotheek naar een nabij gelegen gebouw en verkoopt de vennootschap de blote eigendom tegen een aanzienlijke minderwaarde aan de moeder van de oorspronkelijke eigenaar.

 

De administratie vindt de aanvankelijke verkoopprijs van de helft van de blote eigendom van het gebouw te hoog gezien de latere doorverkoop tegen minderwaarde. Ze meent dat de vennootschap ten belope van het excessieve gedeelte van de overdrachtsprijs een abnormaal voordeel heeft toegekend en voegt het als abnormaal of goedgunstig voordeel terug toe aan de belastbare basis.

 

De vennootschap erkent dat de verkoop opgesplitst werd om het K.B. van 13 april 1977 te omzeilen. In de verkoopprijs van het onroerend goed zit een deel van de prijs voor de apotheek dat gelet op het K.B. anders niet kon worden aangerekend. Ondanks de kunstmatige splitsing meent de vennootschap dat de administratie het geheel moet bekijken. Volgens de vennootschap moet niet enkel de aankoop en latere verkoop van het onroerend goed in aanmerking worden genomen, maar ook de aankoop van de apotheek. Er zou dan ook geen sprake zijn van een abnormaal voordeel.

 

De administratie heeft volgens het Hof van beroep te Luik terecht de vennootschap belast op een abnormaal of goedgunstig voordeel (Luik 28 november 2014, Fiscoloog 2015, afl. 1424, 12).

 

Het Hof van Cassatie beslist daarentegen dat de vaststelling van het Hof van Beroep dat de meerprijs voor de aankoop van het onroerend goed niet een deel van de prijs voor het onroerend goed vertegenwoordigt, maar een deel van de prijs voor de aankoop van de apotheek, noch het gegeven dat partijen het K.B. van 13 april 1977 hebben omzeild, noch enige andere overweging uit het arrest van het Hof van Beroep, de belasting op een abnormaal of goedgunstig voordeel overeenstemmend met de meerprijs van het onroerend goed rechtvaardigt.

Vlabel Standpunt nr. 15004 uitgebreid tot de situatie van een maatschap
22-05-2017

Vorig jaar was er al heel wat te doen rond een (betwistbaar) standpunt van de Vlaamse Belastingdienst betreffende de toepassing van art. 2.7.1.0.7 VCF (oud artikel 9 W.Succ.) op de gesplitste inschrijving van effecten en geldbeleggingen (Standpunt nr. 15004, te raadplegen op https://belastingen.vlaanderen.be). Dit standpunt komt er de facto op neer dat een schenking van roerende goederen met voorbehoud van vruchtgebruik enkel nog vrij van (latere) erfbelasting kan gebeuren wanneer zij voorafgaand aan schenkbelasting werd onderworpen. Op deze manier maakte Vlabel aldus, althans in het Vlaamse Gewest, een einde aan de zgn. ‘kaasroute’ (belastingvrije schenking met voorbehoud van vruchtgebruik voor een buitenlandse, veelal Nederlandse, notaris).

 

Op 26 april 2017 (publicatie op 27 april 2017) heeft Vlabel dit standpunt nu uitgebreid tot de situatie waarin de effecten en geldbeleggingen, die gesplitst zijn ingeschreven, worden aangehouden door een burgerlijke maatschap (alinea ‘B’).

 

euro

 

 

Vlabel onderscheidt hierbij drie situaties waaruit de gesplitste inschrijving van deze effecten en geldbeleggingen kan blijken:

ofwel uit de vermeldingen in het matenregister (materiële gesplitste inschrijving);

• ofwel uit de vermeldingen in de documenten zoals door de financiële instellingen bijgehouden (materiële gesplitste inschrijving);

• ofwel uit de zakenrechtelijke situatie van de effectenportefeuille of geldbeleggingen (juridische gesplitste inschrijving). Bijvoorbeeld: een schenking met voorbehoud van vruchtgebruik hetzij van de effectenportefeuille, hetzij van de deelgerechtigdheden in de maatschap.

 

Indien deze zakenrechtelijke situatie haar oorsprong vindt in schenking gedaan onder voorbehoud van vruchtgebruik, stelt Vlabel, in toepassing van art. 2.7.1.0.7 VCF, alsnog erfbelasting te zullen heffen wanneer deze schenking niet werd onderworpen aan schenkbelasting.

 

Vlabel gaat echter nog twee stappen verder.

 

Ten eerste stelt Vlabel dat wanneer de vruchtgebruiker met de aan hem uitgekeerde opbrengsten (in de zin van burgerlijke vruchten) van de effecten nieuwe effecten koopt, die eveneens gesplitst worden ingeschreven. Ook dan is er aldus automatisch sprake van een nieuwe gesplitste inschrijving die eveneens onder de toepassing valt van artikel 2.7.1.0.7 VCF.

 

Ten tweede neemt Vlabel hetzelfde standpunt in wanneer de algemene vergadering van de maatschap beslist om de burgerlijke vruchten die de effecten en geldbeleggingen hebben opgeleverd niet uit te keren aan de vruchtgebruiker, maar wel om deze te incorporeren bij het kapitaal van de maatschap. Ook wanneer de vruchten geïncorporeerd worden, zal er bij het overlijden van de vruchtgebruiker m.a.w. erfbelasting verschuldigd zijn, tenzij er schenkbelasting betaald werd.

 

De aanvulling van Standpunt nr. 15004 met alinea ‘B’ geldt voor alle gesplitste inschrijvingen die gebeuren vanaf 1 juni 2017.

 

Op maatschappen waarvan de deelgerechtigdheden vóór 1 juni 2017 voor een buitenlandse notaris werden geschonken met voorbehoud van vruchtgebruik, vindt het nieuwe Standpunt – volgens de letterlijke bewoordingen - aldus geen toepassing. Vanaf 1 juni 2017 zal men er echter wel voor moeten zorgen dat de algemene vergadering de burgerlijke vruchten systematisch uitkeert aan de vruchtgebruiker, en dat deze op een aparte rekening worden geplaatst die alleen op naam van de vruchtgebruiker staat.

Cassatie bevestigt aftrekbaarheid ‘verrekenschuld’ bij optioneel finaal verrekenbeding
22-05-2017

Tussen echtgenoten getrouwd onder een stelsel van scheiding van goederen kan in het huwelijkscontract voorzien worden in een finaal verrekenbeding of ‘alsof-clausule’. Een dergelijk beding komt erop neer dat, bij ontbinding van het huwelijk door echtscheiding of overlijden, een verrekening plaatsvindt met betrekking tot de eigen vermogens van de echtgenoten ‘alsof’ er wel een gemeenschap bestaan had. In geval van ontbinding van het huwelijksstelsel door overlijden komt dit er concreet op neer dat de langstlevende echtgenoot een vordering verkrijgt op het eigen vermogen van de eerstoverleden echtgenoot, en dit volgens de in het huwelijkscontract overeengekomen modaliteiten. Zo kan bijvoorbeeld bij huwelijkscontract bepaald worden dat, in geval van ontbinding van het huwelijk door overlijden, het eigen vermogen van de eerstoverleden echtgenoot een geldsom is verschuldigd aan het eigen vermogen van de langstlevende echtgenoot ten belope van de helft van diens eigen vermogen (verrekensleutel 50/50). Soms gaat men hierbij zelfs nog verder door te bepalen dat de ‘verrekenvordering’ van de langstlevende echtgenoot slaat op het volledige eigen vermogen van de eerstoverledene (verrekensleutel 100/0). In de praktijk wordt een dergelijk beding veelal ‘optioneel’ of ‘vrijblijvend’ geformuleerd. Dit houdt in dat de langstlevende echtgenoot – binnen een bepaalde termijn na het overlijden – moet kiezen of hij/zij de optie van de verrekening licht, en zo ja, in welke mate.

 

Op fiscaal vlak bestond er tot op heden nog een zekere onduidelijkheid wat betreft de optionele variant van het finaal verrekenbeding. De ‘verrekenschuld’ die de beslissing tot lichten van de ‘verrekeningsoptie’ tot gevolg had, wordt door de fiscale administratie immers steevast beschouwd als niet aftrekbaar van het actief in de nalatenschap van de eerstoverleden echtgenoot. De fiscus beroept zich hiervoor op art. 27 Vl.W.Succ. (huidig art. 2.7.3.4.1 VCF), op grond waarvan een schuld slechts als aftrekbaar wordt aanvaard wanneer die schuld “bestaat op de dag van het overlijden van de overledene”. In geval van een ‘optioneel’ finaal verrekenbeding zou de schuld nog niet bestaan op de dag van het overlijden van de eerstoverleden echtgenoot, maar zou deze pas ontstaan zijn ná diens overlijden, nl. pas bij het lichten van de optie door de overlevende echtgenoot, aldus de fiscale administratie.

 

 

erfbelasting

 

 

Bij drie arresten van 24 maart 2017 (F.16.0067.N, F.16.0068.N en F.15.0190.N) heeft het Hof van Cassatie de redenering van de fiscus evenwel naar de prullenmand verwezen. Volgens ons hoogste Gerechtshof is ook een verrekenschuld n.a.v. de uitoefening van een optioneel finaal verrekenbeding wel degelijk aftrekbaar als passief in de nalatenschap van de eerstoverleden echtgenoot. Ook een ‘optionele’ verrekenschuld ‘ontstaat’ immers op het ogenblik van het inlassen ervan in het huwelijkscontract, zodat deze ook ‘bestaat’ op het ogenblik van het overlijden van de eerstoverleden echtgenoot. Het is enkel ‘het definitief, bepaald en opeisbaar worden’ dat wordt uitgesteld tot na het overlijden. De uitoefening van het optierecht doet niet de schuld ontstaan, maar bepaald enkel de omvang ervan.

 

Voortaan is het dus duidelijk dat ook een optionele verrekenschuld aftrekbaar is als passief in de nalatenschap van de eerstoverleden echtgenoot, op voorwaarde dat de optie ook daadwerkelijk gelicht wordt. Dit laatste is trouwens ook nog mogelijk na het indienen van de aangifte nalatenschap. In dit geval zal dan wel een verzoek tot ambtshalve ontheffing moeten worden ingediend bij de Vlaamse Belastingdienst (art. 3.6.0.0.4, eerste lid, 1°, a) VCF).

 

Voor optionele finale verrekenbedingen die vóór 1 juni 2012 in het huwelijkscontract werden ingelast, is voormelde rechtspraak van het Hof van Cassatie welgekomen. Voor vorderingen tot verrekening voortspruitend uit dergelijke clausules kan voortaan met redelijke zekerheid worden aangenomen dat de fiscus hun aftrekbaarheid in de nalatenschap van de eerstoverleden echtgenoot niet langer geldig zal kunnen betwisten.

 

Voor bedingen ingelast vanaf 1 juni 2012 dient men echter nog beducht te zijn voor een eventuele toepassing van de sindsdien van toepassing zijnde antimisbruikbepaling. Al zullen er waarschijnlijk, wanneer men al een “frustratie” van een fiscale bepaling zou kunnen ontwaren, voldoende niet-fiscale motieven aanwezig zijn om de inlassing van een optioneel finaal verrekenbeding te verantwoorden.

Circulaire met nieuwe administratieve commentaar aanslag geheime commissielonen
08-05-2017

Circulaire 2017/C/16 van 4 april 2017

 

 

De fiscus bespreekt het toepassingsgebied van de afzonderlijke aanslag bedoeld in artikel 219 WIB 92 en vervangt hiermee haar oude commentaar door een nieuwe (COM IB nr. 219/0-47). De nieuwe commentaar is in grote mate een herneming van de Circulaire van 11 juni 2015, maar is op een aantal punten vernieuwend.

 

1. Kosten zoals bedoeld in artikel 57 WIB 92 en de voordelen van alle aard.

 

De afzonderlijke aanslag is niet van toepassing indien de verkrijger op ondubbelzinnige wijze werd geïdentificeerd uiterlijk binnen de 2 jaar en 6 maanden volgend op 1 januari van het betreffende aanslagjaar. De administratie had tot nu toe gesteld dat een schriftelijk akkoord van de verkrijger vereist was, opdat er sprake zou kunnen zijn van een ondubbelzinnige identificatie. Nu gaat de administratie “iets” verder door te stellen dat aan de voorwaarde van ondubbelzinnige identificatie bijgevolg bijvoorbeeld voldaan is indien de administratie in het bezit wordt gesteld van een schriftelijk akkoord van de verkrijger. Een akkoord is dus maar één van de mogelijkheden tot identificatie.

 

2. Verdoken meerwinsten.

 

Het meest vernieuwende aspect van de nieuwe commentaar situeert zich in het luik van de verdoken meerwinsten.

 

De wet stelt nu uitdrukkelijk dat de verdoken meerwinsten niet aan de afzonderlijke aanslag worden onderworpen wanneer zij het gevolg zijn van een verwerping van beroepskosten. Niettemin blijft de fiscus in haar commentaar als uitzondering geven het geval van een valse of fictieve factuur bij de aankoop van handelsgoederen. Door het feit dat een dergelijke aankoopfactuur op de rekening 60 moet worden geboekt, beïnvloedt zij enkel de brutowinst van de vennootschap en vormt zij bijgevolg geen kost zoals bedoeld door de fiscale bepalingen inzake beroepskosten (inzonderheid art. 49 WIB 92). In dat geval kan er wel nog sprake zijn van verdoken meerwinsten die niet het gevolg zijn van een verwerping van beroepskosten, aldus de fiscus. De rechtspraak ziet dit evenwel anders.

geldbuidel

 

 

In de praktijk was er onduidelijkheid gerezen of het bedrag van de verdoken meerwinst ook nog eens moest worden opgenomen in de verworpen uitgaven. Niettegenstaande dat hiervoor geen wettelijke basis bestaat, stelt de nieuwe commentaar dat naar analogie met de fiscale behandeling van in het zwart uitbetaalde lonen die, niettegenstaande zij aan de afzonderlijke aanslag onderworpen zijn, niet aftrekbaar zijn als beroepskosten in de zin van art. 49 WIB 92, de verdoken meerwinsten die aan de afzonderlijke aanslag worden onderworpen in de verworpen uitgaven moeten worden opgenomen, gelet op de afwezigheid van bewijsstukken die het beroepskarakter aantonen.

Gemeenten dienen tijdig hun leegstandsheffing voor woningen en gebouwen aan te passen
27-02-2017

De meeste gemeenten beschikken over een leegstandsheffing voor woningen en gebouwen. Deze belasting werd tot op heden geheven in uitvoering van het Grond- en Pandendecreet.

 

Aan het Grond- en Pandendecreet werden recent een aantal wijzigingen aangebracht die van belang zijn voor de leegstandsheffing. De decreetgever wil de lokale overheid volledige beleidsvrijheid geven over de beslissing om een leegstandsheffing in te voeren.

 

 

leegstaand huis

 

 

1. Tot op heden werd een leegstandsregister bijgehouden, waarbij in het belastingreglement veelal wordt verwezen naar artikel 2.2.6. van het Grond- en Pandendecreet. Sinds de wijziging kan de gemeente ervoor kiezen om een leegstandsregister bij te houden. Dit is niet meer noodzakelijk voor de belastingheffing. Indien er wordt voor gekozen om geen leegstandsregister meer bij te houden, zal ook de belastingheffing moeten worden aangepast.

 

2. Daar waar de leegstandsheffing tot voor kort werd geheven op grond van een decretale machtiging, is door de opheffing van de artikelen 3.2.17 tot en met 3.2.29 van het Grond- en pandendecreet, deze decretale machtiging verdwenen. Dit heeft tot gevolg dat het heffen van een belasting op leegstaande woningen en gebouwen, als belasting met een specifiek doel, een bijzondere motivering vereist in het belastingreglement zelf (of het belastingdossier). Elke verwijzing in het belastingreglement naar deze opgeheven bepalingen uit het Grond- en pandendecreet dient te worden vervangen door een eigen regeling. Ook de vrijstellingen die zijn opgenomen in het belastingreglement vereisen een bijzondere motivering (eveneens op te nemen in de gemeenteraadsbeslissing houdende de goedkeuring van het belastingreglement of het belastingdossier).

 

3. Door de opheffing van de artikelen 2.2.7., 2.2.8. en 2.2.9. van het Grond- en pandendecreet, dient de gemeente (indien ze kiest voor een registratie zoals die was uitgewerkt in het Grond- en pandendecreet) zelf een procedure uit te werken betreffende de opname op het leegstandsregister, de mogelijkheid tot betwisting, edm. Een verwijzing naar het Grond- en pandendecreet is dus opnieuw niet meer mogelijk. De gemeente moet dus zelf beschikken over een leegstandsreglement (ofwel afzonderlijk, ofwel geïntegreerd in het belastingreglement).


Het is aangewezen om de voormelde wijzigingen zo snel als mogelijk te implementeren en het belastingreglement aan te passen, teneinde de belastingheffing op leegstaande woningen en gebouwen niet in het gedrang te brengen.

 

Voor verdere vragen kan steeds contact worden opgenomen met Luc De Meyere of Leen De Vriese.

Tijdelijke Vlaamse regularisatie: aangiften mogelijk vanaf 6 maart 2017
24-02-2017

Bij wet van 21 juli 2016 voorzag de federale wetgever reeds in een mogelijkheid tot fiscale regularisatie van inbreuken op federale belastingen (o.a. de personenbelasting, vennootschapsbelasting, rechtspersonenbelasting, de federaal geheven registratierechten en de verzekeringstaks). Sedert 1 augustus 2016 kunnen belastingplichtigen hiervan gebruik maken.

 

Voor de regularisatie van inbreuken op Vlaamse belastingen was het echter wachten op een Vlaamse regeling.

 

In dit kader lieten wij u op 18 oktober 2016 reeds weten dat ook de Vlaamse regering een voorontwerp van decreet had goedgekeurd waarbij een tijdelijke fiscale regularisatie zou worden ingevoerd voor de twee belangrijkste Vlaamse gewestbelastingen (nl. de erfbelasting en registratiebelasting). Na een advies van het SERV en de Raad van State, diende dit Decreet evenwel nog te worden goedgekeurd door het Vlaams Parlement. Dit gebeurde op 1 februari 2017.

 

Het aangenomen Decreet werd op 23 februari 2017 bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad (zie: http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/api2.pl?lg=nl&pd=2017-02-23&numac=2017030104). Aangezien deze Vlaamse regeling geen bijzondere bepaling bevat inzake haar inwerkingtreding, wordt deze regeling van kracht op 5 maart 2017 (nl. 10 dagen na publicatiedatum). 

 

Met ingang van maandag 6 maart 2017 zal het bijgevolg mogelijk zijn om regularisatieaangiftes in te dienen bij de Vlaamse Belastingdienst. Het betrokken aangifteformulier, alsook een FAQ, werden hiertoe recent gepubliceerd op http://belastingen.vlaanderen.be/fiscale-regularisatie. Mits betaling van een regularisatieheffing, bekomt de aangever zowel fiscale als strafrechtelijke immuniteit. De heffing gebeurt aan een vlak tarief, dat afhankelijk is van de soort van belasting en de vraag of er op fiscaal vlak reeds verjaring is opgetreden:  

 

 

 

soort belasting

 

fiscaal niet verjaard

fiscaal verjaard

erfbelasting in rechte lijn en tussen partners

35%

37%

erfbelasting in alle overige gevallen

70%

37%

andere belastingen dan erfbelastingen

20%

37%

 

Voor de regularisatie van onsplitsbare kapitalen (d.w.z. bedragen waarvoor de aangever niet in staat is aan te tonen welk gedeelte van het te regulariseren bedrag betrekking heeft op de bedragen die in beginsel onderworpen zijn aan federale belastingen en welk gedeelte betrekking heeft op bedragen die in beginsel onderworpen zijn aan Vlaamse gewestelijke belastingen) dient men evenwel nog te wachten op de publicatie van een samenwerkingsakkoord tussen de federale overheid en het Vlaams Gewest. Dit zou echter spoedig volgen.

 


 

DVDTAXLAW kan u op professionele wijze begeleiden bij de opmaak en indiening van een regularisatieaangifte (zowel Vlaams als federaal). Hierbij valt te benadrukken dat de Vlaamse regularisatie, in tegenstelling tot haar federale tegenhanger, wordt aangemerkt als een uitzonderijke en tijdelijke mogelijkheid. Op 31 december 2020 zou de Vlaamse regularisatiemogelijkheid onherroepelijk komen te vervallen. Bovendien neemt het verschuldigde regularisatietarief jaarlijks toe.

 

 

 

 

Betalingen aan belastingparadijzen
21-11-2016

Aftrekbaarheid en onderwerping aan bedrijfsvoorheffing.

 

Om aftrekbaar te zijn, moeten betalingen vanaf 100.000 EUR per jaar aan zogenaamde belastingparadijzen worden meegedeeld op een formulier 275F, samen met de aangifte vennootschapsbelasting (art. 307, §1, lid 5-8 WIB 1992). Die regeling bestond al geruime tijd, maar is aanzienlijk uitgebreid voor aangiften ingediend vanaf 14 juli 2016 (art. 44 Programmawet 1 juli 2016, BS 4 juli 2016).

 

Naast rechtstreekse of onrechtstreekse betalingen aan (rechts)personen gevestigd in belastingparadijzen, geldt de regeling nu eveneens voor daar gelegen vaste inrichtingen. Verder worden nu ook de betalingen geviseerd die gebeuren op een rekening die daar wordt aangehouden, ongeacht waar de rekeninghouder is gevestigd. Wordt 100.000 EUR of meer overgeschreven naar een rekening in Panama van een Belgische vennootschap, dan zal men dus evengoed een aangifte moeten doen.

 

belastingparadijs

 

Als belastingparadijs worden ten eerste de landen bedoeld die de OESO-standaard inzake transparantie en uitwisseling van inlichtingen niet effectief en substantieel toepassen en dus op de zogenaamde ‘zwarte lijst’ voorkomen. Luxemburg werd eind 2015 van die lijst geschrapt. Guatemala, Nauru en Trinidad en Tobago staan er nog steeds op vermeld. In de nieuwe regeling moet niet langer worden nagegaan of die landen tijdens het volledige belastbare tijdperk op die lijst stonden, maar wel of dat het geval was op het moment van de betaling.

 

Ten tweede worden ook de belastingparadijzen bedoeld die voorkomen op een lijst van landen zonder of met een lage vennootschapsbelasting. Vroeger werd hierbij enkel naar het tarief gekeken (nominaal tarief van minder dan 10%). De lijst met die (30) landen is terug te vinden in een KB van 1 maart 2016. Vanaf 14 juli 2016 moet ook worden beoordeeld of de werkelijke belastingdruk op buitenlandse inkomsten wel minstens 15% bedraagt. Hiermee worden de landen (of onderdelen van landen) geviseerd met een zogenaamd territoriaal belastingregime, die dus geen belastingen heffen op buitenlandse inkomsten. Het gaat bijvoorbeeld om Hongkong, Panama, Uruguay en Singapore. Zolang de landenlijst nog niet is aangevuld, heeft die uitbreiding echter geen concrete uitwerking.

 

Zoals gezegd, moeten betalingen vanaf 100.000 EUR aan dergelijke landen afzonderlijk worden gemeld. Gebeurt dat niet, dan is de betaling in de regel niet aftrekbaar. Zelfs als de mededeling is gebeurd, wordt de aftrek toch geweigerd wanneer de belastingplichtige bij controle niet kan bewijzen dat die betaling kadert binnen werkelijke en oprechte verrichtingen (lees: dat er een economische verantwoording voor is) en dat de ontvanger geen artificiële constructie is, zoals een loutere postbusvennootschap (art. 198, §1, 10° WIB 1992).

 

Tot slot moet nog de aandacht worden gevestigd op een andere regeling, die niet altijd gekend is. Bij betalingen aan (rechts)personen die inwoner zijn van een land waarmee geen dubbelbelastingverdrag werd gesloten, zoals bij veel zogenaamde belastingparadijzen, moet de Belgische schuldenaar sinds 1 januari 2013 bedrijfsvoorheffing inhouden wanneer de inkomsten niet daadwerkelijk worden belast in dat derde land (art. 228, 3 WIB 1992). De bepaling is enkel van toepassing op diensten, niet op leveringen. Het inkomen is daadwerkelijk belast als het is opgenomen in de belastbare grondslag, zelfs als er uiteindelijk geen belasting op verschuldigd is door de aftrek van kosten, verliezen, e.d.

 

Volgens de administratie is geen bedrijfsvoorheffing verschuldigd op de eerste schrijf van 38.000 EUR aan bruto-inkomsten, per genieter en per jaar. Op de resterende schijf mag een kostenforfait worden toegepast van 50% (Bericht aan de schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing, BS 23 juli 2014). Op het nettobedrag is dan bedrijfsvoorheffing verschuldigd aan het tarief van 33%.

 

Werd de bedrijfsvoorheffing ingehouden, dan hoeft de begunstigde dat inkomen niet meer aan te geven in de belasting niet-inwoners. Behoudens indien hij bijvoorbeeld verliezen zou kunnen recupereren, zal het niet gunstiger zijn om die winsten of baten toch op te nemen in de aangifte. Noch het vrijgestelde bedrag van 38.000 EUR, noch de forfaitaire kostenaftrek zijn dan van toepassing. Men heeft er dus baat bij om de bedrijfsvoorheffing correct en tijdig in te houden.

INTERNE MEERWAARDE OP AANDELEN VOORTAAN BELAST.
02-11-2016

Volgens de regeringsverklaring van 16 oktober 2016 zullen interne meerwaarden belast worden.

 

Volgens de Dienst Voorafgaande Beslissingen zou het de bedoeling zijn om de interne meerwaarden (n.a.v. de verkoop/inbreng van aandelen van een exploitatievennootschap in een “eigen” holding) te gaan belasten middels een aanpassing van artikel 184 WIB 92.

 

De inbrengen van aandelen in een zelf gecontroleerde holdingvennootschap zouden vanaf 01 januari 2017 niet meer volledig aangemerkt worden als ‘volstort kapitaal’. De bij de holdingvennootschap ingebrachte aandelen zullen nog slechts als ‘werkelijk gestort kapitaal’ worden aangemerkt ten belope van de aanschaffingswaarde van de ingebrachte aandelen. Het verschil tussen de inbrengwaarde en deze aanschaffingswaarde zal als een belaste reserve worden beschouwd.

 

Dit zal tot gevolg hebben dat het kapitaal dat wordt gevormd vanaf 01.01.2017 door de inbreng in natura van de aandelen in een (nieuw) opgerichte holdingvennootschap voor het grootste deel niet langer wordt beschouwd als ‘fiscaal gestort kapitaal’, waardoor de latere uitkering aan de aandeelhouders van de holding belast zal worden tegen een tarief van (vanaf 01.01.2017) 30% roerende voorheffing.

 

De nieuwe regeling zou maar in werking treden op 01.01.2017, waardoor inbrengen gerealiseerd vóór 31.12.2016 in principe nog onder de oude regeling vallen. Fiscoloog meldt wel dat ten aanzien van inbrengen verricht vóór 1 januari 2017 er een gerichte controleactie zal worden uitgevoerd op basis van de antimisbruikbepaling (art. 344,§1 WIB 92).

 

Naar verluidt zou de Dienst Voorafgaande Beslissingen nog steeds rulings kunnen afleveren. Er zal evenwel snel moeten gehandeld worden. Het doorlopen van de rulingprocedure neemt tijd in beslag en er moeten verschillende documenten worden voorgelegd (waardering van de aandelen, bewijs geen overtollige liquiditeiten, enz). Bovendien moet ook de notaris tijdig alles rond krijgen.

 

Maar ook de “oude” inbrengen worden dus best preventief (gelet op de aangekondigde controleactie) nog eens nagekeken of er geen sprake kan zijn van fiscaal misbruik (art. 344,§1 WIB 92), vnl. bij de combinatie van een step-up gevolgd door een kapitaalvermindering.

 

Aangaande de nieuwe regeling is nog weinig bekend, en er kan uiteraard tijdens het wetgevend proces nog het een en ander veranderen. Wij houden jullie uiteraard verder op de hoogte.

Vlaamse fiscale regularisatie met tijdelijk karakter.
18-10-2016

De Vlaamse regering keurde een voorontwerp van decreet goed waarbij een tijdelijke fiscale regularisatie wordt ingevoerd voor Vlaamse belastingen, zoals die zijn opgenomen in de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013. Met andere woorden deze regeling heeft niet enkel betrekking op de erfbelasting (de vroegere successierechten) maar ook op schenkbelasting (de vroegere schenkingsrechten), het verkooprecht, de onroerende voorheffing, … In de praktijk zal voornamelijk de erfbelasting, al dan niet gecombineerd met een regularisatie van bijvoorbeeld roerende inkomsten en/of beroepsinkomsten, worden geregulariseerd.

 

geldcontrole

 

Het voorontwerp wordt thans voorgelegd aan de Socicaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV) en vervolgens zal advies worden gevraagd aan de Raad van State.

 

De krachtlijnen van de Vlaamse regeling zijn enerzijds gelijklopend met de federale regeling (zie ter zake op onze website het artikel “Nieuwe fiscale regularisatie : allerlaatste (en permanente) kans !” http://www.dvdtaxlaw.be/nieuws/nieuwe-fiscale-regularisatie-allerlaatste-en-permanente-kans)

  • De aangever bekomt fiscale en strafrechtelijke immuniteit;
  • Er is slechts een éénmalige aangifte mogelijk;
  • Er wordt een onderscheid gemaakt tussen verjaarde versus niet-verjaarde bedragen;
  • De mogelijkheid tot regularisatie vervalt na aanmaningen van de belastingplichtige door de administratie of het gerecht;
  • De regularisatieaangifte moet worden ingediend bij de Vlaamse Belastingdienst of bij een andere instantie, die kan bepaald worden door de Vlaamse Regering. Dat kan potentieel het federale contactpunt regularisaties (CPR) zijn, maar hiervoor moet nader overleg volgen.

 

Er zijn ook enkele wezenlijke verschilpunten met de federale fiscale regularisatie:

  • Zoals de draagwijdte van de federale fiscale regularisatie beperkt is tot uitsluitend federale belastingen, is deze Vlaamse fiscale regularisatie beperkt tot Vlaamse regionale belastingen. De aangever moet aantonen dat zijn aangifte betrekking heeft op puur Vlaamse bevoegdheden.
  • In tegenstelling tot de federale regularisatie die een permanent karakter heeft, heeft deze Vlaamse fiscale regularisatie een tijdelijk karakter, de mogelijkheid tot regularisatie eindigt op 31 december 2020.
  • Er wordt geopteerd voor vlakke eenvormige tarieven, zonder afzonderlijke belastingverhoging.
  • Indien beslist wordt dat de aangifte kan ingediend worden bij het federale contactpunt regularisatie (CPR) zal de berekening en de verdere afhandeling wordt verzorgd door de Vlaamse overheid.

 

percent

 

 

 

 

 

 

 

 

Wat de ‘forfaitaire’ tarieven betreft wordt een onderscheid gemaakt tussen de erfbelasting en alle andere belastingen.

 

Voor de erfbelasting worden volgende tarieven voorzien:

  1. Niet-verjaarde bedragen:
    • 35% voor de verkrijgingen in de rechte lijn of tussen partners;
    • 70% voor alle anderen.
  2. Verjaarde bedragen : 37 % voor de aangiften ingediend in 2017, toenemend met jaarlijks 1%, telkens op 1 januari, om te eindigen op 40% in 2020.

 

Voor de andere belastingen dan de erfbelasting worden volgende tarieven voorzien:

1) 20% voor niet-verjaarde bedragen;

2) 37% voor verjaarde bedragen, en waarvoor de aangiften werden ingediend in 2017, toenemend met jaarlijks 1%, telkens op 1 januari, om te eindigen op 40% in 2020.

 

Er worden geen gunstmaatregelen, verminderingen of vrijstellingen toegepast. Er gelden geen opcentiemen of opdeciemen.

 


DVDTAXLAW volgt de adviezen van de SERV en Raad van State voor u op en

houdt U op de hoogte van de definitief goedgekeurde tekst van Decreet.

De screening van bankkaarten door de BBI bij Worldline
17-10-2016

Recent berichtten de media dat de BBI een onderzoek zal uitvoeren bij Worldline.

 

Worldline (opvolger van Atos Worldline, op haar beurt opvolger van Banksys), is de grootste beheerder van elektronisch betalingsverkeer in België. Worldine beschikt over informatie over wie waar welk bedrag heeft betaald of afgehaald.

 

 

bankkaart

 

 

De BBI zou in overleg zijn met Worldline. De resultaten van dit overleg zijn nog niet bekend. Evenwel kunnen reeds enkele bedenkingen bij deze onderzoeksactie worden geformuleerd.

 

Een fiscale controle bij Worldline over niet-nader genoemde belastingplichtigen is mogelijk op grond van artikel 323 WIB 1992. Men noemt dit het zogenaamde “derdenonderzoek”. Maar dit artikel kent wel grenzen.

 

Vooreerst kunnen geen vragen worden gesteld aan financiële instellingen omwille van het bankgeheim. Banksys kreeg al eens eerder een derdenonderzoek, toen over een wel bij naam genoemde belastingplichtige. Banksys verweerde zich toen ook met het bankgeheim. Uiteindelijk oordeelde het Hof van Beroep van Brussel in een arrest van 14 oktober 2010 daarover dat de vraag of de aangezochte instelling een financiële instelling is moet worden beoordeeld in functie van de aard van de activiteit van de instelling. Wanneer een instantie dus wordt ondervraagd over zaken die onderdeel vormen van een bancaire activiteit, die zij bijvoorbeeld in onderaanneming uitvoert voor een financiële instelling, dan geldt het bankgeheim wel. Er anders over oordelen zou immers betekenen dat men door Banksys te ondervragen in plaats van de financiële instelling, het bankgeheim omzeilt.

 

Ondertussen werd het bankgeheim in 2011 grondig afgezwakt. Hierdoor werd het mogelijk dat financiële instellingen in het kader van een derdenonderzoek toch worden ondervraagd, in welbepaalde omstandigheden (aanwijzingen van belastingontduiking of een voornemen om een indiciaire taxatie te vestigen). Deze vragen aan financiële instellingen kunnen evenwel enkel in het kader van een derdenonderzoek over een met naam genoemde belastingplichtige en niet voor een derdenonderzoek, zoals dit hier het geval is, over niet nader genoemde belastingplichtigen. Het bankgeheim lijkt dus een eerste klip die zal moeten worden omzeild met deze controle.

 

Een tweede grens aan het derdenonderzoek over niet nader genoemde belastingplichtigen bestaat erin dat de vragen moeten gaan over personen met wie deze derde rechtstreeks of onrechtstreeks beroepsmatig in contact is geweest. De BBI wenst hier uiteindelijk informatie te bekomen over de klanten van de klanten van Worldline, namelijk de personen die o.m. - elektronisch – betalingen hebben gedaan in restaurants, winkels edm. die elektronische betalingsdiensten bij Worldline hebben afgenomen. Met de personen die de betalingen hebben gedaan, heeft Worldline géén professionele relatie. Voor de toepassing van artikel 323 WIB 1992 volstaat het weliswaar dat er een “onrechtstreekse professionele band” is, maar dient géén enkele professionele band ook te worden begrepen onder een “onrechtstreekse professionele band”?

 

Tot slot zal de BBI ook rekening moeten houden met het recht op privéleven. Het opvragen van informatie over betaalverkeer van personen vormt zonder enige twijfel een inmenging op het privéleven, vermits deze informatie toelaat om zeer duidelijk conclusies te trekken over iemands private doen en laten. Een inmenging in het privéleven is slechts mogelijk indien deze inmenging evenredig is met het legitieme doel dat met deze inmenging wordt beoogd (artikel 8 EVRM). Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie moet in ieder geval worden afgeleid dat het zonder onderscheid opvragen van alle betalingsverkeer over alle personen die gebruikt maken van elektronische betaaldiensten, een brug te ver is (1) . Volgens de persberichten zou het evenwel niet gaan over dergelijke omvangrijke informatieverzameling. De fiscus zou zich nl. beperken tot het betalingsverkeer in België gedaan met buitenlandse betaalkaarten omdat het doel van het onderzoek erin zou bestaan om verborgen rekeningen in belastingparadijzen op te sporen. Maar transacties met buitenlandse betaalkaarten leiden niet per se naar relevante fiscale informatie. Deze transacties kunnen bv. gewoonweg afkomstig zijn van buitenlandse belastingplichtigen, zoals toeristen. Maar ook van Belgische belastingplichtigen die in België betalingen doen met buitenlandse bankkaarten staat geenszins vast dat deze allemaal over rekeningen zouden beschikken die verdacht zijn, denken we maar aan werknemers van buitenlandse bedrijven met een bankkaart van de firma. Gelijkaardige overwegingen kwamen ook al aan bod in een Nederlandse zaak waarbij de Amsterdamse kortgedingrechter diende te oordelen over de evenredigheid van het onderzoek van de Belastingdienst bij EMS, een onderneming met een activiteit van geldtransactiediensten zoals die van Worldine (2) . De Nederlandse kortgedingrechter zette de Belastingdienst toen aan het werk om met EMS in onderling overleg een evenredige voorselectie te maken.

 

De BBI zou in elk geval bij Worldline enkel anonieme informatie opvragen. Er zou dan nadien aan de rechtbank worden gevraagd om de anonimiteit op te heffen. De rechtbank krijgt bij die gelegenheid wellicht de mogelijkheid deze evenredigheid te toetsen. Ons kantoor volgt dit van nabij op.

 

 

 


(1) Analogie met HvJ 8 april 2014, C-293/12 en C-594/12, DIGITAL RIGHTS IRELAND, inzake het bewaren en ter beschikking stellen van gegevens over communicatieverkeer (wie heeft waar hoelang en met wie gecommuniceerd via telefoon, GSM, internet, …)

(2) Rechtbank Amsterdam 8 november 2011 (ECLI:NL:RBAMS:2011:BW2575)

Waarover moet de btw worden gerekend ingeval van het toestaan van een recht van opstal aan een bouwpromotor ?
10-10-2016

In het kader van bouwprojecten komt het regelmatig voor dat aan de bouwpromotor een recht van opstal m.b.t. een grond wordt toegekend. In ruil voor het verkrijgen van dit zakelijk recht bouwt de promotor appartementen en betaalt hij een opleg in geld.

 

 

bouwplan


Bij ruil wordt de prestatie voor de berekening van de btw op haar normale waarde gerekend (huidig artikel 33, § 3 W.BTW). De wetgeving voorziet dat als ‘normale waarde’ wordt beschouwd “het volledige bedrag dat een afnemer in de handelsfase waarin de levering van goederen of de dienst wordt verricht, bij eerlijke concurrentie zou moeten betalen aan een onafhankelijke leverancier of dienstverrichter op het grondgebied van het land waar de handeling belastbaar is, om de desbetreffende goederen of diensten op dat tijdstip te verkrijgen” (huidig artikel 32, eerste lid W.BTW).

 

Het Hof van Cassatie verduidelijkt in een recent arrest van 2 september 2016

(http://jure.juridat.just.fgov.be/view_decision.html?justel=N-20160902-2&idxc_id=302846&lang=NL)

wat onder de ‘normale waarde’ van het toekennen van een recht van opstal aan een bouwpromotor dient te worden verstaan.

 

Volgens het Hof stemt de normale waarde overeen met “de marktwaarde van het recht van opstal”.

 

Het Hof oordeelt dat de maatstaf van heffing niet kan worden vastgesteld in functie van de prijs die de bouwpromotor in een latere handelsfase kan behalen bij de verkoop van de nieuwe aan hem toebehorende appartementen die hij kon bouwen op grond van zijn recht van opstal.

Grondwettelijk Hof verklaart risicoaansprakelijkheid inzake prijsbewimpeling in strijd met het gelijkheidsbeginsel
10-10-2016

Wanneer de koper en verkoper bij de verkoop van een onroerend goed een lagere prijs op papier zetten dan werkelijk betaald werd, spreekt men van prijsbewimpeling. Op deze manier beogen de contractspartijen de heffingsgrondslag van de registratierechten (en bijgevolg ook de uiteindelijk verschuldigde belasting) te verminderen.

prijsbewimpeling

 

Deze vorm van fiscale fraude is echter niet zonder risico. Op grond van art. 203 W.Reg., zoals dit nog steeds geldt voor het Waalse en Brussels Hoofdstedelijk Gewest, is elk der contracterende partijen, in geval van prijsbewimpeling, een boete verschuldigd gelijk aan de ontdoken rechten. Daarnaast wordt ook voorzien in een ondeelbare verschuldigdheid van deze aanvullende rechten door alle partijen.

 

De letterlijke tekst van de wet vereist dus geen bedrieglijk opzet in hoofde van alle partijen bij de verkoopovereenkomst. De louter materiële wetsovertreding volstaat. De boete en de aanvullende rechten zijn steeds verschuldigd door élke (contracts)partij, ongeacht of hij/zij persoonlijk op de hoogte was van het feit dat er een deel van de verkoopprijs ‘in het zwart’ betaald werd.

 

Wat de boete betreft, wordt de strikte toepassing van de wet echter meteen gemilderd door het persoonlijk karakter van een sanctie met strafrechtelijk karakter, alsook het vermoeden van onschuld. Dergelijke sancties kunnen slechts persoonlijk aan een belastingplichtige worden opgelegd voor zover deze ook schuld treft. Aan contractspartijen die volledig vreemd zijn aan de prijsbewimpeling kan dus geen boete worden opgelegd.

 

Voor het Grondwettelijk Hof stelde zich recent de vraag of eenzelfde conclusie ook gold voor de hoofdelijke verschuldigdheid van de ontdoken rechten. Klassiek neemt men immers aan dat dergelijke verschuldigdheid, in tegenstelling tot de boete, er niet toe strekt te bestraffen, doch louter ertoe strekt om het door de Schatkist geleden nadeel te herstellen (burgerlijke sanctie). Vanuit die optiek zouden de aanvullende rechten, op grond van de letterlijke wettekst, in principe wel kunnen worden ingevorderd bij de ‘onschuldige’ contractspartij(en). Bij arrest van 22 september 2016 oordeelt nu het Grondwettelijk Hof dat ook dít niet mogelijk is. Voor zover artikel 203 W.Reg. zou toelaten dat het ontdoken recht ook verschuldigd is door de partijen bij een verkoopakte die niet hebben deelgenomen aan de bewimpeling van de verkoopprijs of daarvan geen kennis hadden, oordeelt het Grondwettelijk Hof tot een schending van het gelijkheidsbeginsel.

 

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat dergelijke ondeelbare verschuldigdheid van de rechten niet werd overgenomen in de Vlaamse Codex Fiscaliteit. Voor het Vlaamse Gewest geldt in geval van prijsbewimpeling “enkel” een hoofdelijke verschuldigdheid van de belastingverhoging van 100% (art. 3.18.0.0.14 VCF). Een sanctie met een strafrechtelijk karakter, waarvan reeds klassiek vaststond dat deze enkel kan worden opgelegd aan de ‘schuldige’ partij(en).

BTW – Nieuwe cafetariaregeling voor ziekenhuizen, psychiatrische instellingen bejaardentehuizen, sportclubs, concertzalen, … geldt niet voor jeugdhuizen, OCMW-dienstencentra en lokale dienstencentra
05-10-2016

 

 

In principe is elke drank- en eetgelegenheid aan btw onderworpen.

 

Reeds langer bestond er een vrijstelling van btw (administratieve tolerantie) voor cafetaria’s gelegen in ziekenhuizen, psychiatrische instellingen, bejaardentehuizen, uitgebaat door sportclubs, concertzalen, … Deze administratieve tolerantie was gebaseerd op een antwoord op een parlementaire vraag van 2002.

 

 

cafetaria btw vrij ?

 

 

Met ingang van 1 januari 2017 blijven cafetaria’s vrijgesteld mits cumulatief voldaan is aan volgende voorwaarden :

 

 

  • de uitbating van de drank- of eetgelegenheid gebeurt door een belastingplichtige met volgende activiteit : ziekenhuizen, psychiatrische inrichtingen of dergelijke instellingen (als bedoeld in artikel 44, § 2, 1°, a), eerste lid WBTW), instellingen die bejaardenzorg of de gehandicaptenzorg tot doel hebben (als bedoeld in artikel 44, § 2, 2° WBTW), exploitanten van sportinrichtingen en inrichtingen voor lichamelijke opvoeding (als bedoeld in artikel 44, § 2, 3° WBTW), exploitanten van musea, monumenten, natuurmonumenten, plantentuinen en dierentuinen (als bedoeld in artikel 44, § 2, 7°, WBTW), organisatoren van toneel-, ballet- of filmvoorstellingen, tentoonstellingen, concerten of conferenties (als bedoeld in artikel 44, § 2, 9° WBTW).
  • de exploitatie van de drank- of eetgelegenheid geschiedt op de site van voornoemde inrichtingen;
  • de vrijgestelde handelingen van voornoemde inrichtingen vormen een overwegend deel van de door de betrokken inrichting verrichte handelingen. Dit impliceert dat het totaalbedrag, per kalenderjaar, van de in dat eerste streepje beoogde vrijgestelde handelingen groter is dan het totaalbedrag van de overige door die betrokken inrichting verrichte handelingen, zijnde zowel de belaste als overige vrijgestelde handelingen (met inbegrip van de drank- of eetgelegenheid);
  • de drank- of eetgelegenheid is in principe slechts toegankelijk voor personen die eveneens afnemer zijn van de hiervoor bedoelde vrijgestelde diensten (bv. patiënten, bewoners, sporters, toeschouwers…), hun bezoekers of genodigden, alsook voor het personeel dat werkzaam is in de betrokken inrichting.                                                                                                                                                                                                                         Deze voorwaarde is in elk geval voldaan wanneer de drank- of eetgelegenheid niet toegankelijk is buiten de openingsuren van de inrichting én niet rechtstreeks toegankelijk is van buiten af (men moet met andere woorden eerst de hiervoor bedoelde inrichting betreden, alvorens men toegang heeft tot de drank- of eetgelegenheid). Het voldoen van deze voorwaarde kan evenwel ook worden aangetoond aan de hand van andere feitelijke elementen.
  • de ontvangsten uit de uitbating van de drank- of eetgelegenheid bedragen niet meer dan 10 % van de omzet van de in het eerste streepje beoogde vrijgestelde handelingen van de betrokken inrichting.

 

In tegenstelling tot de vroegere regeling zijn noch de aard van de verstrekte maaltijden, noch het feit dat de betrokken inrichting ook andere belaste werkzaamheden verricht voortaan nog van belang.

 

Voorgaande regeling is niet van toepassing op jeugdhuizen en OCMW-dienstencentra, zo oordeelt de administratie in haar beslissing van 12 september 2016.

 

Bij beslissing van 23 september 2016 wordt bijkomend beslist dat ook voor lokale dienstencentra, die zijn opgericht door een lokale overheid (gemeente, stad, OCMW, …) en door deze overheid zijn erkend, voornoemde cafetaria-regeling niet geldt op voorwaarde dat de drank-en eetgelegenheid uitgebaat door deze centra een jaarlijkse omzet van 80.000 EUR per vestigingseenheid niet overschrijdt. In dat geval is er sprake van vrijgestelde handelingen.

 

Rekening houdend met het feit dat lokale dienstencentra er onder meer op gericht zijn de sociale samenhang binnen een stad of een gemeente te bevorderen, gaat de btw-administratie er van uit dat de door deze lokale dienstencentra in dit kader verrichte handelingen in beginsel van de btw zijn vrijgesteld op grond van de bepalingen van artikel 44, § 2, 2°, WBTW voor zover voldaan is aan de voorwaarde inzake erkenning door de bevoegde overheid.

 

Ondanks deze administratieve toleranties kunnen ziekenhuizen, bejaardentehuizen, sportclubs, concertzalen, … in elk geval opteren om hun handelingen i.v.m. de eet- en drankgelegenheid toch aan btw te onderwerpen, zoals de wet het voorschrijft. Een grondige btw-analyse van alle activiteiten, vrijgestelde en belaste handelingen, kan hierover duidelijkheid brengen.

FISCALE REGULARISATIE : formulieren en FAQ
20-09-2016

Nieuwe formulierenmodellen gepubliceerd.

 

Na de inwerkingtreding van het nieuw permanent systeem van fiscale en sociale regularisatie bij het ‘Contactpunt regularisaties’ van de FOD Financiën op 1 augustus 2016, werd bij K.B. het modelformulier van de regularisatieaangifte, van het fiscaal regularisatieattest en van het sociaal regularisatieattest gepubliceerd (Koninklijk besluit van 9 augustus 2016 tot vastlegging van de formuliermodellen te gebruiken in uitvoering van de artikelen 7 en 13 van de wet van 21 juli 2016 tot invoering van een permanent systeem inzake fiscale en sociale regularisatie, B.S. 18 augustus 2016).

Intussen is ook de FAQ betreffende de EBA-4 op de website van de Dienst Voorafgaande Beslissingen in fiscale zaken (DVB) contactpunt regularisaties (http://www.ruling.be) terug te vinden : http://www.ruling.be/nl/downloads/faq

 

formulieren

 

Hierin wordt onder meer vermeld dat geen spontane aangiften meer kunnen gebeuren bij de lokale inspecteur van de Algemene administratie van de Fiscaliteit of bij de Algemene administratie van de Bijzondere Belastinginspectie. Om een gelijke behandeling tussen belastingplichtigen te bekomen zou aan de betrokkenen worden voorgesteld om zich voor federale fiscale regularisaties te wenden tot het Contactpunt Regularisaties, en dit met verwijzing naar de Memorie van Toelichting (Doc 54, 1738/001 pagina 4, http://www.dekamer.be)

PROCEDURE BEZWAAR IN INKOMSTENBELASTINGEN VERSOEPELD
22-08-2016

Met ingang van 21 augustus 2016 gelden aangepaste regels voor het indienen van een bezwaarschrift.

 

 

bezwaarschrift

 

 

Traditioneel diende een bezwaarschrift steeds te worden ingediend bij de directeur der belastingen in wiens ambtsgebied de aanslag, verhogingen en boeten waren gevestigd. Door de programmawet van 17 december 2004 (in werking sinds 1 januari 2005) werd het mogelijk het bezwaar in te dienen bij een directeur van een ander ambtsgebied. Het hoefde zelfs niet te gaan over een directeur belast met de vestiging van de belasting, het mocht zelfs gaan over een directeur van de invordering, als het maar een directeur was. De territoriaal onbevoegde directeur diende dan wel het bezwaar voor behandeling door te zenden aan de territoriaal bevoegde directeur en de bezwaarindiener hiervan in te lichten.

 

De Federale  Ombudsdienst had reeds in 2013 opgemerkt dat deze versoepeling onvoldoende is (aanbeveling AA 07/02). Omdat het voor de belastingplichtige niet steeds evident is om inzicht te hebben in de structuur van de FOD Financiën, vond men het aangewezen dat een bezwaar ook kon worden ingediend bij een taxatiedienst of bij een ontvangkantoor, en dus niet alleen bij de directeur. Om tegemoet te komen aan de aanbeveling van de Federale Ombudsdienst, werd reeds op 2 september 2014 een wetsvoorstel ingediend (54-0211), dat het op dat moment evenwel niet tot wet schopte.

 

Op 27 april 2016 werd artikel 366 van het Wetboek inkomstenbelasting, dat het bezwaarrecht regelt, aangepast aan de gewijzigde titels en graden die golden binnen de FOD Financiën. De woorden “directeur der belastingen" werd vervangen door de woorden "adviseur-generaal van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen”. De sinds 1 januari 2005 geldende regel dat het bezwaar ook kan worden ingediend bij een territoriaal onbevoegde dienst bleef overeind, zij het dat het nu wel duidelijk moest gaan over een “adviseur-generaal die belast is met de vestiging van de inkomstenbelasting” (en dus niet de adviseur-generaal belast met de invordering), wat dus een verstrakking vormde van de regels.

 

Hierop werd het wetsvoorstel van 2014 op 13 juli 2016 terug uit de kast gehaald en deze keer goedgekeurd. De administratie bevoegd voor het behandelen van het bezwaar blijft de adviseur-generaal belast met de vestiging van de belasting, in wiens ambtsgebied de aanslag, de verhoging en de boete is gevestigd. Maar, wie vanaf 21 augustus 2016 het bezwaarschrift richt aan een andere ambtenaar van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen dan de bevoegde ambtenaar, of aan een ambtenaar van de administratie belast met de inning en de invordering van de inkomstenbelastingen, dient in elk geval een geldig bezwaar in.

 

De ambtenaar bij wie het bezwaarschrift verkeerd werd ingediend is daarbij nog steeds verplicht het bezwaarschrift onmiddellijk door te sturen aan de bevoegde adviseur-generaal en de bezwaarindiener daarvan in kennis te stellen.

NIEUWE FISCALE REGULARISATIE : ALLERLAATSTE (EN PERMANENTE) KANS !
03-08-2016

DVDTAXLAW zet voor u hierna de belangrijkste principes en tarieven van de nieuwe regularisatieprocedure EBA 4 uiteen. De Wet van 21 juli 2016 tot invoering van een permanent systeem inzake fiscale en sociale regularisatie (B.S. 29 juli 2016) is op 1 augustus 2016 in werking getreden.

Wie kan berouw tonen?

Zowel natuurlijke personen als rechtspersonen kunnen voor de laatste maal schoon schip maken met hun zwarte of grijze vermogens. Ook economisch begunstigden van een buitenlandse structuur kunnen overgaan tot regularisatie.

 

 

tax help

 

 

 

Welke belastingen/bijdragen?

Federale belastingen kunnen worden geregulariseerd: personenbelasting, vennootschapsbelasting, rechtspersonenbelasting, B.T.W., de federale registratie-, hypotheek- en griffierechten, en de belastingen bedoeld in het Wetboek diverse rechten en taksen (waaronder de verzekeringstaks). De Wet voorziet ook in de mogelijkheid om gewestelijke belastingen, waarvoor de federale overheid de dienst verzekert, te regulariseren. Zolang een gewest evenwel geen instemming verleent in het kader van een samenwerkingsakkoord, impliceert een regularisatie geen rechtsgevolgen voor dat gewest. Op heden kan dus geen fiscale regularisatie gebeuren over successierechten (thans erfbelasting), ook niet als deze fiscaal verjaard zouden zijn. In de media werd vernomen dat de kans reëel is dat binnen afzienbare tijd een samenwerkingsakkoord met het Vlaams Gewest zal worden gesloten. Ook de niet-verjaarde sociale bijdragen voor de beroepsinkomsten voor zelfstandigen kunnen worden geregulariseerd.

Tarieven

In tegenstelling tot de vorige regularisatieprocedure wordt er geen onderscheid gemaakt tussen “gewone” fiscale fraude en “ernstige” (al dan niet georganiseerde) fiscale fraude. Op de fiscaal verjaarde kapitalen (al dan niet onder de vorm van een levensverzekering) wordt een uniform tarief van 36 percentpunten toegepast. Vanaf 1 januari 2017 verhoogt het tarief elk jaar met 1%-punt, om op 1 januari 2020 het tarief van 40%-punten te bereiken. Deze forfaitaire heffing van 36 %-punten op de ‘fiscaal verjaarde kapitalen’ dekt dus alle mogelijke belastingen die ten aanzien van deze kapitalen ontdoken zouden zijn, m.u.v. de gewestelijke belastingen zolang geen samenwerkingsakkoord met de gewesten werden gesloten (zie hierboven). Fiscaal niet-verjaarde inkomsten, btw-handelingen en beroepsinkomsten worden onderworpen aan hun oorspronkelijk tarief verhoogd met 20 percentpunten (vb. het tarief van 25% op de buitenlandse dividenden wordt 45%). Vanaf 1 januari 2017 verhoogt het boetetarief naar 22 percentpunten. Vervolgens verhoogt het tarief elk jaar met 1 percentpunt, en dit tot maximaal 25%-punten vanaf 1 januari 2020. De niet verjaarde sociale bijdragen worden geregulariseerd tegen een aanvullende sociale heffing van 15% op de beroepsinkomsten. Vanaf 1 januari 2017 verhoogt het boetetarief naar 17% en vervolgens jaarlijks telkens met 1 percentpunt, en dit tot maximaal 20% vanaf 1 januari 2020.

Bepaling van de te regulariseren kapitalen/inkomsten

In tegenstelling tot de voorgaande regularisatierondes, wordt in huidige regularisatiewet bepaald dat het betreffende vermogen in principe volledig dient te worden geregulariseerd. Indien de aangever een deel van het bedoelde vermogen wenst vrij te stellen, dient hij middels schriftelijk bewijs, desgevallend aangevuld met andere bewijsmiddelen van het gemeen recht, met uitzondering van de eed en het bewijs door getuigen, aan te tonen dat deze inkomsten, sommen, BTW-handelingen en fiscaal verjaarde kapitalen hun normale belastingregime hebben ondergaan.

Eenmalig karakter

Elke belastingplichtige kan slechts één keer een regularisatie indienen onder de huidige wetgeving. Het is dus van belang álle ontdoken kapitalen en inkomsten uit het verleden in één keer te regulariseren. Wel is het zo dat de indiening van (een) regularisatieaangifte(n) onder de vorige regularisatiewetten geen afbreuk doet aan de mogelijkheid om vanaf 1 augustus 2016 onder de huidige wet een regularisatieaangifte in te dienen (om bijvoorbeeld het fiscaal verjaard kapitaal of andere rekeningen/levensverzekeringen te regulariseren).

Praktische toepassing

Net zoals de vorige regularisatieprocedures zullen de regularisatieaangiften bij het Contactpunt Regularisaties te Brussel (CPR) moeten worden ingediend. Het model van aangifteformulier dient nog bij KB te worden vastgelegd en gepubliceerd. Vermoedelijk zal het nieuwe model van aangifte meer informatie bevatten dan de voormalige regularisatieaangiften. In de nieuwe regularisatiewet wordt immers bepaald dat de aangegeven bedragen slechts worden geregulariseerd voor zover de aangever - aan de hand van een schriftelijk bewijs, zo nodig aangevuld met andere bewijsmiddelen van het gemeen recht, met uitzondering van de eed en het bewijs door getuigen - de aard van de belastingen aantoont, alsook de belastingcategorie en het tijdperk waartoe de inkomsten, de sommen, de btw-handelingen en de fiscaal verjaarde kapitalen die niet hun normale belastingregime hebben ondergaan, behoren. Net zoals bij de voorgaande regularisatierondes wordt een door het Contactpunt Regularisaties opgestelde FAQ-lijst verwacht.

Gevolgen?

Als de regularisatieheffing definitief en zonder enig voorbehoud wordt betaald, verkrijgt de aangever zowel fiscale als strafrechtelijke immuniteit. De regularisatieaangifte dient volledig spontaan te worden ingediend. Noch de regularisatie aangifte, noch de betaling van de heffing, noch het regularisatieattest hebben uitwerking indien de aangever, vóór de indiening van de regularisatieaangifte, door een Belgische gerechtelijke instantie, een Belgische belastingadministratie, een Belgische sociale zekerheidsinstelling of een sociale inspectie of de FOD Economie, schriftelijk in kennis is gesteld van lopende, specifieke onderzoeksdaden. Anderzijds wordt in de Wet uitdrukkelijk bepaald dat de regularisatie geen aanleiding mag geven tot het uitvoeren van fiscale controles.

Besluit

Belgen die hun zwarte of grijze vermogens buiten het zicht van de Belgische fiscus hebben gehouden, krijgen met deze EBA 4 de laatste mogelijkheid om “in te keren”.

Hoewel huidige regularisatieprocedure geen einddatum kent, luidt de boodschap niet langer te wachten met de indiening van een regularisatieaangifte.

Niet alleen omwille van de verhoging van de tarieven vanaf 1 januari 2017, doch voornamelijk ingevolge de onmogelijkheid tot regularisatie bij het CPR na de kennisgeving van een lopend specifiek onderzoek. Zo is onder meer de deur naar regularisatie reeds gesloten voor de Belgen die opdoken in de Panama Papers. Volgens Minister van Financiën Johan Van Overtveldt zouden de eerste vragen om inlichtingen (d.i. onderzoeksdaden) naar de betrokken belastingplichtigen zijn verstuurd. Gelet op het uitgebreid systeem van automatische wederzijdse gegevensuitwisseling CRS (met alle EU-lidstaten, Luxemburg, Zwitserland, Liechtenstein, Monaco, Singapore, Kaaimaneilanden en Panama), neemt het risico op dergelijke fiscale (en zelfs strafrechtelijke) onderzoeken toe. Indien evenwel gewestelijke belastingen (vb. successierechten/erfbelasting) moeten worden geregulariseerd, is een afwachtende houding o.i. aangewezen: slechts na publicatie van het decreet van het betrokken gewest inzake een samenwerkingsakkoord, kan een volledige “amnestie” worden gegarandeerd. Toch kan het nuttig zijn om reeds de nodige informatie (bankdocumenten) te verzamelen en voorbereidingen te treffen.

GEMEENTELIJKE ZWEMBADEN EN BTW-CONSTRUCTIES
15-06-2016

De exploitatie van een zwembad of sportaccommodatie is in principe een dienst die aan de BTW is onderworpen. Met andere woorden, op een toegangsticket moet de uitbater BTW aanrekenen. Ook wanneer de uitbater een intercommunale of een autonoom gemeentebedrijf (AGB) is. De BTW is geen keuzestelsel.

 

zwembad

 

 

Een belangrijk gevolg van de btw-belastingplicht voor uitbaters van een zwembad of sportaccommodatie is dat zij de BTW op de investeringen en kosten ook in aftrek kunnen brengen. De aftrek van de BTW is in dit specifieke geval extra interessant omdat de BTW op de toegang 6% bedraagt, en de BTW op de kosten en investeringen 21% is. Uiteraard is dit geen btw-optimalisatie, doch enkel een toepassing van de btw-regels.

In de btw-wetgeving wordt ook voorzien in vrijstellingen van de belasting. Wanneer een intercommunale of autonoom gemeentebedrijf een zwembad of sportaccommodatie uitbaat moet dit overheidsbedrijf er rekening mee houden dat wanneer zij wordt aanzien als een instelling die geen winstoogmerk heeft en zij de ontvangsten uit de van BTW vrijgestelde exploitatie uitsluitend gebruikt tot dekking van de kosten ervan, de intercommunale of het autonoom gemeentebedrijf is vrijgesteld van de BTW voor deze exploitatie. Dit heeft twee belangrijke gevolgen. Er dient geen BTW te worden aangerekend op de toegangsprijs, maar de BTW op de investeringen en kosten is dan ook niet aftrekbaar.

 

Oorspronkelijk was de fiscus van oordeel dat ook een intercommunale of een autonoom gemeentebedrijf als een instelling met winstoogmerk kon worden beschouwd bij de exploitatie van een zwembad of sportinrichting. Tot 2012 werden in die zin gunstige rulings afgeleverd.

 

Dit is blijkbaar niet naar de zin van de Bijzondere Belastinginspectie. De BBI was ondertussen een afzonderlijk onderzoek gestart naar verschillende autonome gemeentebedrijven die een zwembad of sporthal uitbaten met toepassing van BTW.

 

Cruciaal is het antwoord op de vraag of de exploitant een instelling is die al dan niet winstoogmerk heeft. Een intercommunale of autonoom gemeentebedrijf kan zonder enige twijfel winstoogmerk hebben, ook bij de exploitatie van een zwembad of sporthal. Alles zal afhangen van de concrete feitelijke omstandigheden. Een zwembad kan met winstoogmerk worden geëxploiteerd wat wordt bewezen door de vele private exploitanten. Wanneer een intercommunale of autonoom gemeentebedrijf op vergelijkbare wijze een zwembad exploiteert met winstoogmerk, zal de fiscus de BTW-aftrek niet kunnen betwisten. De BTW-aftrek is in dat geval geen fiscale optimalisatie.

Raming voordeel voor terbeschikkingstelling van onroerend goed door een rechtspersoon: ongrondwettelijk
13-06-2016

Arrest HvB Gent 24 mei 2016

Raming voordeel voor terbeschikkingstelling van onroerend goed door een rechtspersoon: ongrondwettelijk
Datum: 13 juni 2016

Arrest HvB Gent 24 mei 2016
________________________________________
Wanneer aan een bedrijfsleider of werknemer gratis een onroerend goed ter beschikking wordt gesteld, wordt hij op dit voordeel belast. In principe gebeurt dit volgens de werkelijke waarde in hoofde van de genieter (art. 36 WIB 1992).

Bij KB werd het voordeel op een vast bedrag geraamd (art. 18, §3, 2 KB/WIB 1992). Voor een gebouwd onroerend goed is het voordeel gelijk aan 100/60 van het geïndexeerd kadastrale inkomen, te verhogen met 2/3 wanneer het om een gemeubelde woning gaat. In afwijking hiervan is het voordeel hoger wanneer de woning door een rechtspersoon ter beschikking wordt gesteld (tot 3,8 keer meer).

In een opmerkelijk arrest van 24 mei 2016 heeft het Gentse hof van beroep geoordeeld dat het onderscheid in de waarde van het voordeel strijdig is met het gelijkheidsbeginsel. De verantwoording voor dat onderscheid zou uit geen enkel document blijken. Ook de tijdens de procedure ingeroepen verantwoording zou op geen enkele wijze af te leiden zijn uit de aard van het onderscheid of de context van de relevante bepaling uit het KB.

Vraag is nu wat de gevolgen zijn van het arrest. Uit de tekst van het arrest blijkt dat het hof enkel de afwijkende berekening voor rechtspersonen strijdig heeft bevonden met het gelijkheidsbeginsel en deze dus buiten toepassing moet blijven. De algemene, gunstigere, regel uit het KB (100/60 van het KI) blijft o.i. overeind. Zoniet moet men terugvallen op de wet en dus op de werkelijk waarde van het voordeel in hoofde van de genieter. Dit laatste zal in de meeste gevallen niet gunstiger uitkomen, integendeel.

In de net besproken zaak kan de administratie nog een zogenaamde subsidiaire aanslag voorleggen aan het hof. Er moet nog worden afgewacht hoe de administratie het voordeel dan zal bepalen. Ook is de kans groot dat de fiscus alsnog cassatieberoep aantekent tegen het arrest.

De gevolgen van het arrest zijn van belang voor vele andere belastingplichtigen. Zij zouden hun voordeel nu eventueel kunnen aangeven volgens de algemene berekeningswijze, ook al gaat het om een woning van een rechtspersoon. Een andere mogelijkheid is om het hogere voordeel aan te geven en later bezwaar aan te tekenen tegen de aanslag. Ook voor aanslagjaar 2015 is een dergelijk bezwaar vaak nog mogelijk. Zolang er geen definitieve uitspraak is in de hiervoor besproken zaak, is de uitkomst hiervan echter nog niet zeker.

Cassatie 28 april 2016: Sterfhuisclausule niet belastbaar o.g.v. art. 5 W.Succ.
01-06-2016

successierechten / erfbelasting

Op 28 april 2016 heeft het Hof van Cassatie zich definitief uitgesproken over de al dan niet toepasselijkheid van art. 5 W.Succ. (huidig art. 2.7.1.0.4 VCF) op de volledige toebedeling van het gemeenschappelijk vermogen aan de langstlevende echtgenoot ingevolge een zgn. sterfhuisclausule (arrest nr. F.15.0035.N). Dergelijke clausule in het huwelijkscontract voorziet er in dat één van de echtgenoten steeds het volledig gemeenschappelijk vermogen toebedeeld krijgt, ongeacht de oorzaak van ontbinding van het huwelijksstelsel (en dus ongeacht of deze echtgenoot de langstlevende is of niet). Eén van de echtgenoten verkrijgt dus steeds het volledige gemeenschappelijk vermogen, bij overlijden, doch bv. ook wanneer het huwelijksstelsel zou worden ontbonden ingevolge echtscheiding. Vandaar dat deze clausule vaak enkel ‘op het sterfbed’ (bv. wanneer één van de echtgenoten terminaal ziek is) wordt ingeschreven in het huwelijkscontract.
Zoals verwacht, oordeelde ook het Hof van Cassatie in het voordeel van de langstlevende echtgenote (niet belastbaar o.g.v. art. 5 W.Succ.). Net zoals de overgrote meerderheid van de rechtspraak (waaronder dus o.a. het bestreden arrest van het Hof van Beroep van Gent van 4 februari 2014), oordeelt nu ook het Hof van Cassatie dat de toepassing van art. 5 W.Succ. beperkt is tot huwelijksovereenkomsten waarbij “op voorwaarde van overleving” meer dan de helft van de gemeenschap wordt toegekend aan de andere echtgenoot. Bij een sterfhuisclausule is dit niet het geval, zodat het Hof van Beroep van Gent terecht oordeelde tot de niet-toepasselijkheid van dit wetsartikel op de helft van het gemeenschappelijk vermogen die ingevolge dergelijk beding toekwam aan de (langstlevende) echtgenote.
Dit is goed nieuws voor hangende bezwaren en betwistingen doch de toekomstige impact van dit arrest zal evenwel minimaal zijn voor overlijdens sinds 1 juli 2015 van inwoners van het Vlaamse Gewest. Bij Decreet van 3 juli 2015 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2015 (BS 15 juli 2015), heeft de Vlaamse Decreetgever de zinsnede "op voorwaarde van overleving" immers geschrapt uit artikel 2.7.1.0.4. VCF (het oude art. 5 W.Succ.). Niets verzet zich er dan ook nog tegen dat dit artikel in het Vlaams Gewest wordt toegepast op de toebedeling aan één echtgenoot van meer dan de helft van het gemeenschappelijk vermogen ingevolge een sterfhuisclausule.

Schending van het boekhoudrecht: steeds fiscale rechtzetting mogelijk
27-05-2016

Het Hof van Cassatie spreekt zich uit over de mate waarin een fiscale correctie mogelijk is in geval van een beleidsbeslissing die haar weerslag vindt in een goedgekeurde jaarrekening (Cass. 10 maart 2016). Tot voor kort was de rechtspraak op dit vlak zeer streng (enkel bij een materiële vergissing). Maar het Hof van Cassatie gaat nu verder.
Wanneer de aangifte steunt op een met het boekhoudrecht strijdige boeking en dit leidt tot de vestiging van een wettelijk niet verschuldigde belasting, dan kan de belastingplichtige daartegen opkomen via een bezwaar, ook al is de onjuiste boeking het gevolg van een bewuste beslissing.
Slechts wanneer het boekhoudrecht aan de belastingplichtige een beoordelingsmarge laat en de belastingplichtige binnen dit wettelijk kader een beleidsbeslissing neemt, dan kan hij op de gemaakte keuze niet meer terugkomen. In dat geval is de beleidsbeslissing definitief, ook al blijkt zij achteraf onoordeelkundig of lichtzinnig te zijn geweest. Wanneer een beleidsbeslissing daarentegen in strijd is met het boekhoudrecht, dan kan deze wel worden verholpen.

Belasting op inkomsten uit deeleconomie : een deeloplossing.
24-05-2016

Half mei heeft de regering in eerste lezing een wetsontwerp goedgekeurd waarbij een nieuwe categorie van diverse inkomsten in het leven wordt geroepen voor inkomsten uit de deeleconomie (nieuw art. 90, lid 1, 1°bis WIB 1992).

Deze inkomsten zouden belastbaar zijn tegen 10% (20% na een forfaitaire kostenaftrek van 50%). De belasting zou door erkende platformen moeten worden ingehouden en gerapporteerd via fiscale fiches. Zo hoopt de regering de deeleconomie uit de grijze zone te halen. Deze inhouding zou niet bevrijdend werken. De dienstverlener moet de inkomsten nog steeds vermelden in zijn aangifte.

Voorwaarde is dat het gaat om diensten verleend aan consumenten (natuurlijke personen die niet handelen in het kader van hun beroepswerkzaamheid) en dit via erkende platformen, waarbij de vergoedingen enkel door deze platformen of via hun tussenkomst worden betaald of toegekend. Welke platformen een dergelijk erkenning zullen krijgen, is nog niet duidelijk.

De diensten moeten bovendien worden verleend buiten het kader van een beroepswerkzaamheid. De bruto-inkomsten mogen daarnaast niet hoger zijn dan 3.255 EUR bruto per jaar (5.000 EUR voor inkomstenjaar 2016 na indexering). Anders worden zij, behoudens tegenbewijs, als beroepsinkomsten beschouwd.

Verder zouden de inkomsten uit de loutere verhuur van (gemeubelde) onroerende goederen zijn uitgesloten, althans volgens het ontwerp van de memorie van toelichting. Volgens de minister van Digitale Agenda zou de app Airbnb daarom niet onder de nieuwe regeling vallen. In de mate dat bij de verhuur ook diensten worden aangeboden (vb. ontbijt, schoonmaak), lijkt ons dit evenwel niet zeker. Het gaat dan niet meer om een loutere onroerende verhuur.

Ook het verhuren van roerende goederen zou volgens dezelfde systematiek zijn uitgesloten van de nieuwe regeling (zie J. VAN DYCK, “Inkomsten uit ‘deeleconomie’ slechts belastbaar tegen (netto) 10%”, Fiscoloog 2016, nr. 1475, 1). Hierbij kan worden gedacht aan initiatieven als Tapazz en CarAmigo.

De nieuwe bepaling is ten slotte enkel van toepassing op diensten, niet op leveringen. Anders dan wat de media doen uitschijnen, lijkt het aanbieden van verse maaltijden (behalve voor verbruik ter plaatse) dus niet onder het genoemde divers inkomen te vallen. Dit is van belang voor initiatieven zoals Thuisafgehaald, waarvan bepaalde aanbieders al specifiek door de fiscus zijn gecontroleerd. Deze inkomsten zouden wel een “gewoon” divers inkomen kunnen vormen (art. 90, lid 1, 1° WIB 1992), dat zwaarder wordt belast. Het is maar de vraag of deze ongelijke behandeling juridisch gerechtvaardigd is.

Is aan voorgenoemde voorwaarden voldaan, dan moet overigens geen btw-nummer worden aangevraagd of btw-listing worden ingediend.

Het voorgaande illustreert al meteen de beperkingen van het nieuwe ontwerp. De “deeleconomie” dekt namelijk meerdere ladingen, terwijl niet alle initiatieven onder de nieuwe regeling zouden vallen. Het belastbaar regime zal dus geval per geval moeten worden bekeken.

Dividenden uit gereglementeerde vastgoedvennootschappen vs. vastgoedbevaks: schending van het gelijkheidsbeginsel
19-05-2016

Als alternatief voor de vastgoedbevaks werd door de wetgever een nieuw statuut in het leven geroepen met de Wet van 12 mei 2014 betreffende gereglementeerde vastgoedvennootschappen (gevolgd door het K.B. van 13 juli 2014). Uit de memorie van Toelichting blijkt dat het de bedoeling was van de wetgever dat de GVV aan hetzelfde fiscaal regime als de vastgoedbevak zouden worden onderworpen.

Hierbij werden 2 categorieën van gereglementeerde vastgoedvennootschappen (hierna “GVV” afgekort) ingevoerd: enerzijds de openbare GVV, waarvan de aandelen tot de handel op een gereglementeerde markt toegelaten zijn én die haar financiële middelen in België of in het buitenland aantrekt via een openbaar aanbod van aandelen en anderzijds de institutionele GVV, die onder de exclusieve of gezamenlijke controle staat van een openbare GVV.

De fiscale aspecten rond de GVV’s werden middels aanvullingen aan bestaande artikelen in het Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 (doch ook in het Wetboek B.T.W. e.a.) behandeld, waaronder de artikelen met betrekking tot de roerende voorheffing op de dividenden die door de GVV’s worden uitgekeerd.

Het was de bedoeling van de wetgever dat het bestaande regime inzake de roerende voorheffing zoals van toepassing op vastgoedbevaks, integraal van toepassing zou zijn op de dividenduitkeringen door GVV’s.

Bij artikel 95 van de Wet van 12 mei 2015 betreffende de gereglementeerde vastgoedvennootschappen werd evenwel artikel 266, tweede lid van het W.I.B.1992 aangevuld met een vierde lid (van toepassing vanaf 16 juli 2014), waarin bepaald werd dat in geen geval (bij K.B.) kon worden afgezien van de inning van de roerende voorheffing op inkomsten van aandelen van een openbare GVV (maar wel onder bepaalde voorwaarden van een institutionele GVV).

Volgens enkele openbare GVV’s werden zij ingevolge deze bepaling op discriminerende wijze behandeld, aangezien zij – in tegenstelling tot de vastgoedbevaks -niet konden genieten van de bestaande vrijstellingen voor de inhouding van de roerende voorheffing.

Bij arrest van 11 mei 2016 van het Grondwettelijk Hof werd voormeld artikel 95 van de Wet van 12 mei 2015 vernietigd. Het Hof bevestigt het standpunt van de verzoekers dat het verschil in behandeling tussen de openbare GVV en openbare vastgoedbevaks zonder redelijke verantwoording is in het licht van de beoogde fiscale neutraliteit, die ook betrekking heeft op het al dan niet afstand doen van de roerende voorheffing op de dividenden uit aandelen in de GVV’s.

Het belang van het arrest van het Grondwettelijk Hof is evenwel beperkt, in die zin dat voormeld artikel 266,tweede lid van het W.I.B.1992, ingevoegd bij artikel 95 van de Wet van 12 mei 2015, intussen opgeheven werd bij artikel 53 van de Wet van 18 december 2015. Die opheffing werd in de parlementaire voorbereiding ingegeven door het belang dat de verzakingen van de roerende voorheffing op de inkomsten uit aandelen van vastgoedbevaks op dezelfde wijze van toepassing zouden zijn als op de inkomsten uit aandelen van GVV’s.

Vlabel wijkt opnieuw af van gevestigde paden: optionele conventionele terugkeer van een schenking krijgt een staartje
11-05-2016

Vlaamse belastingdienst (Vlabel) : Standpunt nr. 16030 dd. 04.04.2016 i.v.m. artikel 2.7.3.1.1. VCF publicatie op 18.04.2016

Een conventioneel beding van terugkeer, waardoor het voorwerp van de schenking terugkeert naar de schenker indien de begiftigde vóór de schenker zou overlijden, is een ontbindende voorwaarde. Geen probleem: het geschonken goed zit niet in de nalatenschap van de begiftigde en keert terug.

Wanneer de inwerkingtreding van dergelijke beding afhankelijk is gesteld van een wilsuiting van de schenker (optioneel beding van terugkeer), meent Vlabel dat er geen sprake is van de zuivere werking van een ontbindende voorwaarde (de schenking bestaat), maar van een last gekoppeld aan de schenking waardoor bij de keuze voor terugkeer er een overdracht onder bezwarende titel zou plaatsvinden.

Deze optie om het goed terug te nemen kwalificeert Vlabel als een opschortende voorwaarde van het vooroverlijden van de begiftigde. Als de opschortende voorwaarde wordt vervuld, kan de schenker zijn optie lichten waardoor er een nieuwe overdracht van het goed plaats vindt.

Was het voorwerp van de schenking een onroerend goed, dan zou op de overdracht het verkooprecht verschuldigd zijn en via een verklaring ter registratie dienen te worden aangeboden.

Geactualiseerd standpunt i.v.m. gesplitste aankoop vruchtgebruik - blote eigendom -tegenbewijs voor gesplitste aankopen (full-tekst standpunt)
08-04-2016

Datum: 27 april 2016
Vlaamse belastingdienst (Vlabel) : Standpunt 15004 dd. 21.03.2016 i.v.m. artikel 2.7.1.0.7. VCF

Het tegenbewijs van artikel 2.7.1.0.7 VCF kan volgens Vlabel als volgt worden geleverd:

1)  

voor alle gesplitste aankopen door een voorafgaande schenking wanneer wordt aangetoond dat de begunstigde van de schenking vrij over de gelden heeft kunnen beschikken, wat bijvoorbeeld het geval is als wordt aangetoond dat de schenking door de verkrijger van het vruchtgebruik niet specifiek bestemd was voor de financiering van de aankoop van de blote eigendom in het kader van de gesplitste aankoop. Er mag dus geen causaal verband zijn tussen de schenking en de aankoop.


OF

2)

a) voor aankoopakten vanaf 1/9/2013 door een voorafgaande schenking die aan de heffing van het registratierecht voor schenkingen (periode van 1/9/2013 tot 31/12/2014) of aan de schenkbelasting werd onderworpen (alle aankoopakten vanaf 1/1/2015). De datum van registratie van de schenking is bepalend indien het gaat om aanbieding van onderhandse documenten of van een in het buitenland verleden schenking (en niet de datum van betaling van de Vlaamse schenkbelasting). Die aanbieding ter registratie moet gebeurd zijn vóór het verlijden van de aankoopakte.

b) voor aankoopakten die dateren van vóór 1/9/2013, overeenkomstig de destijds geldende regels, door een voorafgaande schenking ongeacht of die schenking aan de heffing van het registratierecht voor schenkingen werd onderworpen.
Het federale standpunt in  RJ S 9.06.07 wordt gevolgd.
Artikel 2.7.1.0.7 VCF is eveneens van toepassing op gesplitste inschrijvingen van effecten of geldbeleggingen. Het tegenbewijs tegen het vermoeden van bevoordeling kan hier worden geleverd op dezelfde wijze als hierboven werd beschreven voor een gesplitste aankoop. Het standpunt inzake de gesplitste inschrijvingen is geldig voor alle inschrijvingen vanaf 1 juni 2016

---------
·         oorspronkelijk standpunt dd. 19.01.2015, publicatie op 19.06.2015
·         gewijzigd op 06.07.2015, publicatie op 11.08.2015
·         aangevuld met een laatste alinea op 21.03.2016 en 25.04.2016, publicatie op 04.04.2016 en 25.04.2016

Vlabel Betwistbaar standpunt i.v.m. Levensverzekering op twee hoofden en successierecht
08-04-2016

Vlaamse belastingdienst (Vlabel) : Standpunt 16029 dd. 21.03.2016 i.v.m. artikel 2.7.1.0.6.
VCF publicatie op 05.04.2016

Ook de levensverzekeringen met twee verzekeringnemers en twee verzekerden, waarbij de verzekeringsprestatie pas wordt uitgekeerd nadat beide verzekeringnemers overleden zijn, laat Vlabel niet ongemoeid. 
Hoewel bij het overlijden van de eerste verzekeringnemer geen uitkering plaatsvindt, meent Vlabel dat er reeds erfbelasting verschuldigd is. De belastbare grondslag is, aldus Vlabel, gelijk aan de helft van de afkoopwaarde van het contract ten dage van het overlijden van de eerste verzekeringnemer (gedeeld door het aantal begunstigden). Het wordt beschouwd als een soort fictief legaat conform artikel 2.7.1.0.6, §1, tweede lid VCF.
Bij het overlijden van de tweede verzekeringnemer komt de polis tot uitkering. Deze uitkering valt onder de toepassing van artikel 2.7.1.0.6, §1, eerste lid VCF in de mate dat de begunstiging te danken is aan de tweede verzekeringnemer nl. het verschil tussen de waarde die bij het eerste overlijden werd belast en het bedrag van de uitkering die gebeurt ingevolge het overlijden van de tweede verzekeringnemer.

Dergelijke polissen worden dikwijls door echtgenoten of samenwonenden afgesloten met als begunstigden de kinderen. Meestal is er een post mortem overdracht van alle rechten uit de verzekeringspolis aan de langstlevende van de verzekeringsnemers voorzien, zodat deze de begunstigingsclausule kan wijzigen, geheel of gedeeltelijk afkopen enz.. en kan er niets kosteloos toekomen aan de begunstigden bij het overlijden van de eerststervende verzekeringsnemer.