Doolaege, Verbist & De Meyere groepsfoto
De fiscale administratie mag geen dwang uitoefenen bij fiscale visitatie.
18-10-2017

Het Grondwettelijk Hof heeft zich op 12 oktober 2017 uitgesproken over de wettelijke bepalingen inzake fiscale visitaties in zowel inkomstenbelastingen als btw. Een rechter van de rechtbank van eerste aanleg in Oost-Vlaanderen (afdeling Gent) vroeg zich af of deze bepalingen in overeenstemming zijn met recht op privéleven (gewaarborgd door artikel 15 en 22 van de Grondwet en artikel 8 EVRM)(arrest 116/2017). Het Grondwettelijk Hof heeft enkel uitspraak gedaan over fiscale bezoeken van bedrijfslokalen en dus niet over de mogelijkheid van de fiscus om woningen te bezoeken (zie overweging B.4).

 

minfin

 

 

Het Grondwettelijk Hof bevestigt dat de verplichting van belastingplichtigen om de administratie toe te laten in hun beroepslokalen, een inmenging vormt in het privéleven (overweging B.5). De vermelde grondrechtenbepalingen (artikel 15 en 22 van de Grondwet en artikel 8 EVRM) zijn dus van toepassing. Tot daar geen nieuws. Een inmenging in het recht op privéleven door de overheid is evenwel slechts mogelijk voor zover de wet dit toestaat, er een legitiem doel wordt nagestreefd en de inmenging proportioneel is aan dit legitiem doel.

 

wettelijke grondslag

Wat de vereiste betreft dat er een wettelijke grondslag moet zijn, bevestigt het Hof dat er maar sprake kan zijn van een wettelijke grondslag als deze ook voldoende duidelijk is voor de belastingplichtige tot wie hij is gericht (overweging B.8.). Dit wordt ook de vereiste van de voorzienbaarheid genoemd. Hoewel er reeds diverse jaren een discussie bestaat in de rechtspraak over de vraag of de wet toestaat dat de fiscale administratie actief op zoek gaat naar de boekhouding (door bijvoorbeeld kasten open te trekken), vindt het Grondwettelijk Hof dat de wet voldoende duidelijk is. Voor het Grondwettelijk Hof moet de wet zo worden gelezen dat de belastingplichtige steeds de toegang kan weigeren (overweging B.10.2). De fiscale administratie kan zich dus geen toegang forceren. Eens de vrije toegang door de belastingplichtige werd verschaft, kan de fiscale administratie ook niet eigenmachtig de inzage van boeken en stukken afdwingen indien de belastingplichtige zich daartegen verzet (overweging B.11.3). In geval van verzet (tegen de vrije toegang of tegen de inzage van boeken en stukken), kan de fiscale administratie volgens het Grondwettelijk Hof dus alleen administratieve boetes opleggen of aan het parket melden in geval er kennis is van feiten die strafrechterlijk sanctioneerbaar zijn. Het Grondwettelijk Hof stelt ook dat er bij weigering een ambtshalve aanslag kan worden opgelegd. Dit is evenwel onjuist. Artikel 351 W.I.B. 1992 vermeldt de gevallen waarin een ambtshalve aanslag kan worden opgelegd en de weigering om mee te werken aan een visitaitie op grond van artikel 319 W.I.B. 1992 behoort hier niet toe.

 

proportionaliteit

Wat de proportionaliteit betreft stelt het Grondwettelijk Hof dat de wettelijke bepalingen die een visitatie mogelijk maken evenredige maatregelen zijn gelet op het beoogde fiscale doel. Die stelling is gebaseerd op de vaststelling dat er voldoende procedurele waarborgen zijn tegen misbruik. Hiermee wordt in wezen bedoeld dat, zo er sprake is van disproportionele inmengingen in het privéleven, er voldoende procedures zijn die toelaten dat deze inmengingen kunnen worden voorkomen of minstens kunnen worden aangevochten op een doeltreffende manier. Hier neemt het Grondwettelijk Hof genoegen met het feit dat de ambtenaar in het bezit moet zijn van een aanstellingsbewijs, dat hij de beroepsactiviteit van de belastingplichtige niet mag belemmeren en het beroepsgeheim moet respecteren.

 


controle

 

 

kanttekeningen

 

Er kunnen toch belangrijke kanttekeningen worden geplaatst bij deze “procedurele waarborgen tegen misbruik”. Vooreerst houdt de vereiste dat het aanstellingsbewijs moet worden voorgelegd weinig om het lijf. Het Hof van Cassatie heeft immers al gezegd dat de ambtenaren dit bewijs niet spontaan moeten tonen (Cass. 12 september 2008) er dat er ook geen probleem is wanneer het aanstellingsbewijs er niet is en de belastingplichtige met de visitatie heeft ingestemd (Cass. 17 februari 2015). Het verbod om de beroepsactiviteit te belemmeren wordt niet door de wet opgelegd. De verplichting om het beroepsgeheim te respecteren geldt ten slotte enkel voor visitaties bij personen die het beroepsgeheim moeten respecteren. Bovendien is er enkel in inkomstenbelastingen een procedure hiervoor uitgewerkt (artikel 334 W.I.B. 1992), en is dit tot op heden niet het geval in btw-zaken. De bestaande procedures lijken dan ook niet te verhinderen dat er onrechtmatige inmengingen in het privéleven zijn. Bovendien is er ook geen waarborg op een doeltreffende betwisting van onrechtmatige inmengingen, post factum. Er kan wel worden gediscussieerd over de fiscale visitatie ter gelegenheid van de betwisting van de aanslag of btw-navordering zelf (of eventueel voordien, via een zogenaamd pretaxatiegeschil). Zonder verplichting om een proces-verbaal op te stellen over wat zich tijdens deze visitatie heeft voorgedaan, is een post factum gerechterlijke controle evenwel weinig effectief. Wat doe je immers als de fiscus tijdens de gerechterlijke procedure de feiten ontkent of een andere intepretatie geeft aan de feiten?

 

Tot slot is het nog belangrijk op te merken dat dit arrest van het Grondwettelijk Hof, dat de proportionaliteit controleerde van de wettelijke bepalingen die de visitatie toelaten, niet uitsluit dat elke rechter in een individueel geval steeds zal moeten nagaan of de visitatie in concreto wel proportioneel is in de zin van artikel 8 EVRM.

 

Samenvattend kan worden gesteld dat het Grondwettelijk Hof van oordeel is dat de wet inzake de fiscale visitatie op zich voldoende waarborgen tegen misbruik bevat. Hoewel de belastingplichtige een meewerkplicht heeft, kan de fiscale visitatie niet worden afgedwongen door de fiscus. Als de fiscus bepaalde onderzoekshandelingen stelt waartegen de belastingplichtige zich verzet, dan mag de fiscus niet eigenmachtig verder optreden. Dit verzet zal wel moeten worden bewezen.

 

Een belastingplichtige moet telkens afwegen of hij voldoet aan zijn medewerkingsplicht tijdens de fiscale controle, dan wel of hij zich verzet tegen bepaalde onderzoekshandelingen.

 


 

Om een fiscale visitatie in goede banen te leiden is het nuttig dat een onderneming over een procedure beschikt die moet worden gevolgd door personeelsleden en/of bestuurders tijdens een fiscale visitatie. Zo’n procedure bevat onder meer de gegevens van de personen die kunnen worden gecontacteerd bij de start van de visitatie, kort overzicht van de toepasselijke regels (formaliteiten, wat is wettelijk toegelaten, wat is niet toegelaten), stappenplan, ...

Met een dergelijk STAPPENPLAN kunnen heel wat discussies nadien worden vermeden.