Doolaege, Verbist & De Meyere groepsfoto
GwH 22 februari 2018: ook de successierechten verschuldigd op grond van art. 7 W.Succ. kunnen enkel worden ingevorderd bij de werkelijke verkrijger van het fictielegaat
27-02-2018

Overeenkomstig art. 70, lid 2 W.Succ. (art. 3.10.4.3.1 VCF) zijn “de erfgenamen, algemene legatarissen en begiftigden” (met andere woorden: de indieningsplichtige erfopvolgers) niet enkel gehouden tot de betaling van de successierechten die verschuldigd zijn op hun eigen erfdeel, maar zijn zij eveneens aansprakelijk, elk naar verhouding van hun erfdeel, tot de successierechten die verschuldigd zijn door de legatarissen en begiftigden onder algemene of onder bijzondere titel (met andere woorden: de niet-indieningsplichtige erfopvolgers).

 

De ratio van deze regeling luidt dat de fiscus op deze manier niet op zoek moet gaan naar elke verkrijger afzonderlijk. Bovendien is het risico op niet-terugbetaling in hoofde van de algemene erfopvolger/legatarissen verwaarloosbaar, nu deze erfgenamen/legatarissen vanaf het ogenblik van het overlijden beschikken over de saisine over de gehele nalatenschap (art. 1006 BW). De legatarissen ten algemene titel of bijzondere legatarissen zullen aldus steeds aan hen de afgifte moeten vragen van hun legaat (art. 1011 en 1014 BW). Zodoende kunnen de erfgenamen en algemene legatarissen zich er dus ook van vergewissen dat de door die legatarissen verschuldigde rechten ook effectief zullen worden voldaan.

 

Over het algemeen wordt aangenomen dat deze aansprakelijkheidsregeling ook geldt t.a.v. de successierechten verschuldigd op de fictielegaten in de artikelen 3 t.e.m. 11 W.Succ. of de artikelen 2.7.1.0.3 t.e.m. 2.7.1.0.9 VCF.

 

Bij arrest van 20 oktober 2011 (arrest nr. 162/2011, www.grondwettelijkhof.be) heeft het Grondwettelijk Hof evenwel reeds geoordeeld dat deze regeling door de fiscus niet (steeds) kan worden ingeroepen voor de successierechten verschuldigd op grond van de fictiebepaling in art. 8 W.Succ. (art. 2.7.1.0.6 VCF). Deze bepaling voorziet nl. in de gelijkstelling met een belastbaar legaat van een zgn. “beding ten behoeve van een derde” (bv. een levensverzekering). Volgens het Grondwettelijk Hof is de aansprakelijkheid van de indieningsplichtige erfopvolgers in dit geval niet redelijk verantwoord van zodra het kapitaal van de verzekeringsovereenkomst rechtstreeks door de verzekeringsmaatschappij wordt uitbetaald aan de begunstigde, d.w.z. zonder tussenkomst van de erfgenamen of zelfs zonder dat zij op de hoogte zijn van het bestaan van een dergelijke begunstiging. In dit geval zijn de indieningsplichtige erfopvolgers immers niet “ingedekt” tegen het risico van niet-betaling, aangezien de verzekeringsprestatie burgerrechtelijk niet behoort tot de nalatenschap, en zij zich aldus geen controle kunnen uitoefenen op het feit of de begunstigde van de verzekeringsprestatie zijn successierechten wel zal/kan voldoen.

 

Naar aanleiding van dit eerste arrest heeft de wetgever de tekst van art. 70, lid 2 W.Succ. in het verleden dan ook reeds aangepast bij Wet van 21 december 2013 (BS 31 december 2013). Sindsdien luidt het dat art. 70, lid 2 niet kan worden toegepast “op de rechten en interesten verschuldigd op een verkrijging die door artikel 8 met een legaat wordt gelijkgesteld”..

 

bureau

 

Bij arrest van 22 februari 2018 (arrest nr. 20/2018, www.grondwettelijkhof.be) heeft het Grondwettelijk Hof deze redenering nu ook doorgetrokken naar het fictielegaat vermeld in art. 7 W.Succ. (art. 2.7.1.0.5 VCF). Overeenkomstig dit artikel worden de niet-geregistreerde schenkingen gedaan in de 3 jaar vóór het overlijden – fiscaal gezien - geacht nog steeds tot de belastbare nalatenschap van de schenker te behoren. Op burgerrechtelijk gebied is het geschonkene echter reeds in bezit van de begiftigde. Volgens het Grondwettelijk Hof is het dan ook hier niet redelijk verantwoord “dat de erfgenamen, algemene legatarissen en begiftigden in de nalatenschap van een rijksinwoner samen aansprakelijk zijn, ieder in verhouding tot zijn erfdeel, voor de gezamenlijke rechten en interesten verschuldigd door de legatarissen en begiftigden onder algemene titel of onder bijzondere titel, zelfs wanneer de eerstgenoemden niet de mogelijkheid hebben gehad zich ervan te vergewissen dat de laatstgenoemden de rechten en interesten zullen betalen die zij verschuldigd zijn”. In deze mate oordeelt het Grondwettelijk Hof dan ook hier tot een schending van het gelijkheidsbeginsel.


Volledigheidshalve moet worden opgemerkt dat de Vlaamse decreetgever dit laatste arrest niet heeft willen afwachten. Bij Decreet van 18 december 2015 (BS 29 december 2015) heeft de Vlaamse Decreetgever de toepassing van art. 3.10.4.3.1 VCF (oud art. 70, lid 2 W.Succ.) immers reeds uitgesloten t.a.v. de successierechten verschuldigd op het fictielegaat van art. 2.7.1.0.5 VCF (oud art. 7 W.Succ). Net zoals dit geldt voor de erfbelasting verschuldigd op een verkrijging in de zin van art. 2.7.1.0.6 VCF (oud art. 8 W.Succ.), kan ook hier de belasting aldus enkel worden ingevorderd bij diegene die het fictielegaat (in dit geval de niet-geregistreerde schenking binnen de 3 jaar vóór het overlijden) heeft ontvangen. De indieningsplichtige erfopvolgers blijven aldus buiten schot.

 

Op niveau van het Brussels en Waalse Gewest zijn de uitzonderingen op art. 70, lid 2 W.Succ. op heden nog strikt beperkt tot de rechten verschuldigd op grond van art. 8 W.Succ. Gelet op bovenvermeld arrest van het Grondwettelijk is een wetsaanpassing hier dus sterk aanbevolen.