Doolaege, Verbist & De Meyere
Betalingen aan belastingparadijzen
21-11-2016

Aftrekbaarheid en onderwerping aan bedrijfsvoorheffing.

 

Om aftrekbaar te zijn, moeten betalingen vanaf 100.000 EUR per jaar aan zogenaamde belastingparadijzen worden meegedeeld op een formulier 275F, samen met de aangifte vennootschapsbelasting (art. 307, §1, lid 5-8 WIB 1992). Die regeling bestond al geruime tijd, maar is aanzienlijk uitgebreid voor aangiften ingediend vanaf 14 juli 2016 (art. 44 Programmawet 1 juli 2016, BS 4 juli 2016).

 

Naast rechtstreekse of onrechtstreekse betalingen aan (rechts)personen gevestigd in belastingparadijzen, geldt de regeling nu eveneens voor daar gelegen vaste inrichtingen. Verder worden nu ook de betalingen geviseerd die gebeuren op een rekening die daar wordt aangehouden, ongeacht waar de rekeninghouder is gevestigd. Wordt 100.000 EUR of meer overgeschreven naar een rekening in Panama van een Belgische vennootschap, dan zal men dus evengoed een aangifte moeten doen.

 

belastingparadijs

 

Als belastingparadijs worden ten eerste de landen bedoeld die de OESO-standaard inzake transparantie en uitwisseling van inlichtingen niet effectief en substantieel toepassen en dus op de zogenaamde ‘zwarte lijst’ voorkomen. Luxemburg werd eind 2015 van die lijst geschrapt. Guatemala, Nauru en Trinidad en Tobago staan er nog steeds op vermeld. In de nieuwe regeling moet niet langer worden nagegaan of die landen tijdens het volledige belastbare tijdperk op die lijst stonden, maar wel of dat het geval was op het moment van de betaling.

 

Ten tweede worden ook de belastingparadijzen bedoeld die voorkomen op een lijst van landen zonder of met een lage vennootschapsbelasting. Vroeger werd hierbij enkel naar het tarief gekeken (nominaal tarief van minder dan 10%). De lijst met die (30) landen is terug te vinden in een KB van 1 maart 2016. Vanaf 14 juli 2016 moet ook worden beoordeeld of de werkelijke belastingdruk op buitenlandse inkomsten wel minstens 15% bedraagt. Hiermee worden de landen (of onderdelen van landen) geviseerd met een zogenaamd territoriaal belastingregime, die dus geen belastingen heffen op buitenlandse inkomsten. Het gaat bijvoorbeeld om Hongkong, Panama, Uruguay en Singapore. Zolang de landenlijst nog niet is aangevuld, heeft die uitbreiding echter geen concrete uitwerking.

 

Zoals gezegd, moeten betalingen vanaf 100.000 EUR aan dergelijke landen afzonderlijk worden gemeld. Gebeurt dat niet, dan is de betaling in de regel niet aftrekbaar. Zelfs als de mededeling is gebeurd, wordt de aftrek toch geweigerd wanneer de belastingplichtige bij controle niet kan bewijzen dat die betaling kadert binnen werkelijke en oprechte verrichtingen (lees: dat er een economische verantwoording voor is) en dat de ontvanger geen artificiële constructie is, zoals een loutere postbusvennootschap (art. 198, §1, 10° WIB 1992).

 

Tot slot moet nog de aandacht worden gevestigd op een andere regeling, die niet altijd gekend is. Bij betalingen aan (rechts)personen die inwoner zijn van een land waarmee geen dubbelbelastingverdrag werd gesloten, zoals bij veel zogenaamde belastingparadijzen, moet de Belgische schuldenaar sinds 1 januari 2013 bedrijfsvoorheffing inhouden wanneer de inkomsten niet daadwerkelijk worden belast in dat derde land (art. 228, 3 WIB 1992). De bepaling is enkel van toepassing op diensten, niet op leveringen. Het inkomen is daadwerkelijk belast als het is opgenomen in de belastbare grondslag, zelfs als er uiteindelijk geen belasting op verschuldigd is door de aftrek van kosten, verliezen, e.d.

 

Volgens de administratie is geen bedrijfsvoorheffing verschuldigd op de eerste schrijf van 38.000 EUR aan bruto-inkomsten, per genieter en per jaar. Op de resterende schijf mag een kostenforfait worden toegepast van 50% (Bericht aan de schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing, BS 23 juli 2014). Op het nettobedrag is dan bedrijfsvoorheffing verschuldigd aan het tarief van 33%.

 

Werd de bedrijfsvoorheffing ingehouden, dan hoeft de begunstigde dat inkomen niet meer aan te geven in de belasting niet-inwoners. Behoudens indien hij bijvoorbeeld verliezen zou kunnen recupereren, zal het niet gunstiger zijn om die winsten of baten toch op te nemen in de aangifte. Noch het vrijgestelde bedrag van 38.000 EUR, noch de forfaitaire kostenaftrek zijn dan van toepassing. Men heeft er dus baat bij om de bedrijfsvoorheffing correct en tijdig in te houden.