Doolaege, Verbist & De Meyere
Grondwettelijk Hof verklaart risicoaansprakelijkheid inzake prijsbewimpeling in strijd met het gelijkheidsbeginsel
10-10-2016

Wanneer de koper en verkoper bij de verkoop van een onroerend goed een lagere prijs op papier zetten dan werkelijk betaald werd, spreekt men van prijsbewimpeling. Op deze manier beogen de contractspartijen de heffingsgrondslag van de registratierechten (en bijgevolg ook de uiteindelijk verschuldigde belasting) te verminderen.

prijsbewimpeling

 

Deze vorm van fiscale fraude is echter niet zonder risico. Op grond van art. 203 W.Reg., zoals dit nog steeds geldt voor het Waalse en Brussels Hoofdstedelijk Gewest, is elk der contracterende partijen, in geval van prijsbewimpeling, een boete verschuldigd gelijk aan de ontdoken rechten. Daarnaast wordt ook voorzien in een ondeelbare verschuldigdheid van deze aanvullende rechten door alle partijen.

 

De letterlijke tekst van de wet vereist dus geen bedrieglijk opzet in hoofde van alle partijen bij de verkoopovereenkomst. De louter materiële wetsovertreding volstaat. De boete en de aanvullende rechten zijn steeds verschuldigd door élke (contracts)partij, ongeacht of hij/zij persoonlijk op de hoogte was van het feit dat er een deel van de verkoopprijs ‘in het zwart’ betaald werd.

 

Wat de boete betreft, wordt de strikte toepassing van de wet echter meteen gemilderd door het persoonlijk karakter van een sanctie met strafrechtelijk karakter, alsook het vermoeden van onschuld. Dergelijke sancties kunnen slechts persoonlijk aan een belastingplichtige worden opgelegd voor zover deze ook schuld treft. Aan contractspartijen die volledig vreemd zijn aan de prijsbewimpeling kan dus geen boete worden opgelegd.

 

Voor het Grondwettelijk Hof stelde zich recent de vraag of eenzelfde conclusie ook gold voor de hoofdelijke verschuldigdheid van de ontdoken rechten. Klassiek neemt men immers aan dat dergelijke verschuldigdheid, in tegenstelling tot de boete, er niet toe strekt te bestraffen, doch louter ertoe strekt om het door de Schatkist geleden nadeel te herstellen (burgerlijke sanctie). Vanuit die optiek zouden de aanvullende rechten, op grond van de letterlijke wettekst, in principe wel kunnen worden ingevorderd bij de ‘onschuldige’ contractspartij(en). Bij arrest van 22 september 2016 oordeelt nu het Grondwettelijk Hof dat ook dít niet mogelijk is. Voor zover artikel 203 W.Reg. zou toelaten dat het ontdoken recht ook verschuldigd is door de partijen bij een verkoopakte die niet hebben deelgenomen aan de bewimpeling van de verkoopprijs of daarvan geen kennis hadden, oordeelt het Grondwettelijk Hof tot een schending van het gelijkheidsbeginsel.

 

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat dergelijke ondeelbare verschuldigdheid van de rechten niet werd overgenomen in de Vlaamse Codex Fiscaliteit. Voor het Vlaamse Gewest geldt in geval van prijsbewimpeling “enkel” een hoofdelijke verschuldigdheid van de belastingverhoging van 100% (art. 3.18.0.0.14 VCF). Een sanctie met een strafrechtelijk karakter, waarvan reeds klassiek vaststond dat deze enkel kan worden opgelegd aan de ‘schuldige’ partij(en).