Doolaege, Verbist & De Meyere
PROCEDURE BEZWAAR IN INKOMSTENBELASTINGEN VERSOEPELD
22-08-2016

Met ingang van 21 augustus 2016 gelden aangepaste regels voor het indienen van een bezwaarschrift.

 

 

bezwaarschrift

 

 

Traditioneel diende een bezwaarschrift steeds te worden ingediend bij de directeur der belastingen in wiens ambtsgebied de aanslag, verhogingen en boeten waren gevestigd. Door de programmawet van 17 december 2004 (in werking sinds 1 januari 2005) werd het mogelijk het bezwaar in te dienen bij een directeur van een ander ambtsgebied. Het hoefde zelfs niet te gaan over een directeur belast met de vestiging van de belasting, het mocht zelfs gaan over een directeur van de invordering, als het maar een directeur was. De territoriaal onbevoegde directeur diende dan wel het bezwaar voor behandeling door te zenden aan de territoriaal bevoegde directeur en de bezwaarindiener hiervan in te lichten.

 

De Federale  Ombudsdienst had reeds in 2013 opgemerkt dat deze versoepeling onvoldoende is (aanbeveling AA 07/02). Omdat het voor de belastingplichtige niet steeds evident is om inzicht te hebben in de structuur van de FOD Financiën, vond men het aangewezen dat een bezwaar ook kon worden ingediend bij een taxatiedienst of bij een ontvangkantoor, en dus niet alleen bij de directeur. Om tegemoet te komen aan de aanbeveling van de Federale Ombudsdienst, werd reeds op 2 september 2014 een wetsvoorstel ingediend (54-0211), dat het op dat moment evenwel niet tot wet schopte.

 

Op 27 april 2016 werd artikel 366 van het Wetboek inkomstenbelasting, dat het bezwaarrecht regelt, aangepast aan de gewijzigde titels en graden die golden binnen de FOD Financiën. De woorden “directeur der belastingen" werd vervangen door de woorden "adviseur-generaal van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen”. De sinds 1 januari 2005 geldende regel dat het bezwaar ook kan worden ingediend bij een territoriaal onbevoegde dienst bleef overeind, zij het dat het nu wel duidelijk moest gaan over een “adviseur-generaal die belast is met de vestiging van de inkomstenbelasting” (en dus niet de adviseur-generaal belast met de invordering), wat dus een verstrakking vormde van de regels.

 

Hierop werd het wetsvoorstel van 2014 op 13 juli 2016 terug uit de kast gehaald en deze keer goedgekeurd. De administratie bevoegd voor het behandelen van het bezwaar blijft de adviseur-generaal belast met de vestiging van de belasting, in wiens ambtsgebied de aanslag, de verhoging en de boete is gevestigd. Maar, wie vanaf 21 augustus 2016 het bezwaarschrift richt aan een andere ambtenaar van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen dan de bevoegde ambtenaar, of aan een ambtenaar van de administratie belast met de inning en de invordering van de inkomstenbelastingen, dient in elk geval een geldig bezwaar in.

 

De ambtenaar bij wie het bezwaarschrift verkeerd werd ingediend is daarbij nog steeds verplicht het bezwaarschrift onmiddellijk door te sturen aan de bevoegde adviseur-generaal en de bezwaarindiener daarvan in kennis te stellen.