Doolaege, Verbist & De Meyere
Waarover moet de btw worden gerekend ingeval van het toestaan van een recht van opstal aan een bouwpromotor ?
10-10-2016

In het kader van bouwprojecten komt het regelmatig voor dat aan de bouwpromotor een recht van opstal m.b.t. een grond wordt toegekend. In ruil voor het verkrijgen van dit zakelijk recht bouwt de promotor appartementen en betaalt hij een opleg in geld.

 

 

bouwplan


Bij ruil wordt de prestatie voor de berekening van de btw op haar normale waarde gerekend (huidig artikel 33, § 3 W.BTW). De wetgeving voorziet dat als ‘normale waarde’ wordt beschouwd “het volledige bedrag dat een afnemer in de handelsfase waarin de levering van goederen of de dienst wordt verricht, bij eerlijke concurrentie zou moeten betalen aan een onafhankelijke leverancier of dienstverrichter op het grondgebied van het land waar de handeling belastbaar is, om de desbetreffende goederen of diensten op dat tijdstip te verkrijgen” (huidig artikel 32, eerste lid W.BTW).

 

Het Hof van Cassatie verduidelijkt in een recent arrest van 2 september 2016

(http://jure.juridat.just.fgov.be/view_decision.html?justel=N-20160902-2&idxc_id=302846&lang=NL)

wat onder de ‘normale waarde’ van het toekennen van een recht van opstal aan een bouwpromotor dient te worden verstaan.

 

Volgens het Hof stemt de normale waarde overeen met “de marktwaarde van het recht van opstal”.

 

Het Hof oordeelt dat de maatstaf van heffing niet kan worden vastgesteld in functie van de prijs die de bouwpromotor in een latere handelsfase kan behalen bij de verkoop van de nieuwe aan hem toebehorende appartementen die hij kon bouwen op grond van zijn recht van opstal.