Het Grondwettelijk Hof bevestigt in het kader van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing m.b.t. ploegenarbeid de vereiste dat ploegen elkaar in de loop van de dag opvolgen

Ondernemingen waarin in ploegverband wordt gewerkt, kunnen onder bepaalde voorwaarden genieten van een gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing.

Deze regeling leidt al jaren tot discussies met de belastingadministratie, onder meer omdat de wettelijke voorwaarden strikt worden geïnterpreteerd.

 

Hetzelfde werk qua inhoud en qua omvang

Zo heeft de vereiste dat de ploegen hetzelfde werk moeten verrichten, zowel qua inhoud als qua omvang, vaak tot betwistingen geleid. Deze voorwaarde wordt streng beoordeeld in de rechtspraak. Het Grondwettelijk Hof oordeelde in een arrest van 8 februari 2024 (nr. 21/2024), naar aanleiding van een prejudiciële vraag van het Hof van Cassatie, dat deze voorwaarde het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel niet schendt. Volgens het Grondwettelijk Hof is het niet onredelijk dat ondernemingen waarin de omvang van het werk van de ploegen varieert volgens piek- en daluren en ondernemingen waarin de omvang van het werk van de ploegen niet dezelfde, maar vergelijkbaar is, uitgesloten zijn van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing.

In de rechtsleer werd deze rechtspraak bekritiseerd omdat in de praktijk weinig ondernemingen voldoen aan de vereiste dat de ploegen hetzelfde werk verrichten qua inhoud en qua omvang, indien die zo strikt wordt geïnterpreteerd dat dit identiek voor de verschillende ploegen moet zijn.

De wetgever heeft in mei 2024 wel een tijdelijke zgn. bis-variant ingevoerd. Daarbij wordt het percentage van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing pro rata verminderd, door aan de hand van een correctiefactor rekening te houden met dagelijkse verschillen in omvang van het werk van de ploegen.

Bovendien aanvaardt de administratie in de administratieve circulaire nr. 2025/C/50 d.d. 30 juli 2025 bij wijze van administratieve tolerantie een verschil in omvang van het werk tussen de opeenvolgende ploegen van maximaal 10%.

Ploegen die elkaar in de loop van de dag opvolgen – het arrest van het Grondwettelijk Hof van 18 juni 2026

Om te kwalificeren als ‘onderneming waarin ploegenarbeid wordt verricht’ vereist de wet dat opeenvolgende ploegen elkaar in de loop van de dag opvolgen.

De Minister van Financiën heeft hierover in het verleden gesteld dat dit een dagelijkse aflossing van de opeenvolgende ploegen vereist.

Bij arrest van 24 juni 2025 heeft het hof van beroep te Antwerpen met betrekking tot deze voorwaarde een prejudiciële vraag gesteld aan het Grondwettelijk Hof.

Deze zaak had betrekking op een onderneming die sleepdiensten aanbiedt in havens. De werknemers van deze onderneming werken in een ploegensysteem, waarbij een ploeg bestaande uit drie personen zeven dagen aan boord van een sleepboot blijft om vervolgens onmiddellijk te worden opgevolgd door een andere ploeg, zodat de sleepboot inzetbaar blijft.

Het hof oordeelde eerst dat met de wettelijke voorwaarde dat het moet gaan om ploegen “die elkaar in de loop van de dag opvolgen” wordt vereist dat er een dagelijkse opvolging van de ploegen is.

Het hof besloot vervolgens een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. Het vroeg of het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel wordt geschonden doordat de wet vereist dat de opeenvolgende ploegen binnen een onderneming elkaar in de loop van de dag opvolgen, zodat een andere periodiciteit (zoals bijv. wekelijks) niet in aanmerking komt voor de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing met betrekking tot ploegenarbeid.

Het Grondwettelijk Hof beantwoordde deze vraag in een arrest van 18 juni 2026 (nr. 74/2026).

Het Grondwettelijk Hof oordeelt dat de wetgever over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt bij het bepalen van fiscale gunstregimes, zoals vrijstellingen of verminderingen van belasting. Het Grondwettelijk Hof verwijst vervolgens in belangrijke mate naar de overwegingen in voormeld arrest van 8 februari 2024. Tot slot oordeelt het Grondwettelijk Hof dat het voorliggende verschil in behandeling berust op een objectief criterium, met name de periodiciteit van de opvolging van de ploegen, dat dit onderscheidingscriterium pertinent is en dat het niet onredelijk is dat ondernemingen waarin de ploegen elkaar in de loop van de dag opvolgen in aanmerking komen voor de toepassing van de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing terwijl dat niet het geval is voor ondernemingen waarin de ploegen elkaar met een andere periodiciteit opvolgen.

Bewijslast

De vragen waarover het Grondwettelijk Hof zich heeft gebogen in de arresten van 8 februari 2024 en 18 juni 2026 zijn van principiële aard. Het Grondwettelijk Hof heeft immers voormelde wettelijke voorwaarden getoetst aan het gelijkheidsbeginsel.

Discussies met de belastingadministratie over de toepassing van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing met betrekking tot ploegenarbeid hebben echter vaak betrekking op de bewijslast. Belastingplichtigen die deze vrijstelling wensen toe te passen, dragen immers de bewijslast dat aan alle voorwaarden daartoe voldaan is. De belastingadministratie stelt in de praktijk strenge eisen wat dat betreft. Het spreekt dan ook voor zich dat belastingplichtigen best de nodige maatregelen nemen om bij eventuele controles te kunnen aantonen dat aan alle voorwaarden voldaan is.

 


Belastingplichtigen die bijstand wensen met betrekking tot de problematiek van vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing kunnen ons steeds contacteren.

Doolaege, Verbist & De Meyere BV
Koning Albertlaan 165
9000 Gent
BE 0647.999.788

+32 (0) 9 242 80 10
info@dvdtaxlaw.be