Het Hof van Cassatie oordeelt in een aantal recente arresten over strafbare deelneming aan douane- en accijnsmisdrijven: strafbare deelneming door een directe douanevertegenwoordiger en door een werknemer van een onderneming

In een arrest van 3 februari 2026 (AR P.25.0383.N) oordeelt het Hof van Cassatie dat strafbare deelneming aan een douanemisdrijf niet zomaar kan worden afgeleid uit loutere nalatigheid of onachtzaamheid door de (directe) douanevertegenwoordiger.

Uit een arrest van 5 maart 2026 van het Hof van Cassatie (AR P.25.1632.F) blijkt dan weer dat de hoedanigheid van werknemer en de afwezigheid van een persoonlijk voordeel strafbare deelneming aan een accijnsmisdrijf niet uitsluiten.

 

Strafbare deelneming door een directe douanevertegenwoordiger

Voor douanekwesties, bijvoorbeeld voor de opmaak en het indienen van invoeraangiften, wordt vaak beroep gedaan op douanevertegenwoordigers. Bij directe vertegenwoordiging treedt de douanevertegenwoordiger op in naam en voor rekening van de vertegenwoordigde. Bij indirecte vertegenwoordiging treedt de douanevertegenwoordiger op in eigen naam doch voor rekening van de vertegenwoordiger.

Bij strafrechtelijke vervolging van een opdrachtgever wordt in de praktijk dikwijls ook de douanevertegenwoordiger waarop beroep werd gedaan strafrechtelijk op grond van strafbare deelneming mee vervolgd door de administratie Douane & Accijnzen. Dit gebeurt vaak zonder dat er concreet bewijs wordt geleverd van een bewuste deelname door de douanevertegenwoordiger aan het vermeende douanemisdrijf.

In voormeld arrest van 3 februari 2026 (P.25.0383.N) oordeelt het Hof van Cassatie in een dergelijke zaak waarin de douanevertegenwoordiger werd vervolgd op basis van vermeende strafbare deelneming. De douanevertegenwoordiger had een regularisatieaangifte ingediend waarin de Filipijnen werd vermeld als oorsprong van de betreffende goederen, terwijl in de initiële invoeraangifte China correct als oorsprong van de goederen was vermeld.

Het Hof stelt dat de schuldigverklaring als deelnemer aan een misdaad of een wanbedrijf in de zin van de artikelen 66 en 67 van het Strafwetboek het bewijs vereist van het feit dat de deelnemer op een wijze zoals omschreven in een van die artikelen zijn medewerking heeft verleend aan een bepaalde misdaad of een bepaald wanbedrijf waarvan hij op de hoogte was, dat hij wist dat hij zijn medewerking aan die misdaad of dat wanbedrijf verleende en dat hij het opzet had om zijn medewerking aan die misdaad of dat wanbedrijf te verlenen. Er moet dus sprake zijn van een zgn. deelnemingsopzet. Vervolgens stelt het Hof dat de rechter op grond van alle (hem regelmatig overgelegde) gegevens onaantastbaar oordeelt over het bestaan van dit deelnemingsopzet bij de beklaagde en dat de rechter kan oordelen dat een douanevertegenwoordiger met dit opzet heeft gehandeld doordat hij voor rekening van zijn opdrachtgever een invoeraangifte met vermelding van onjuiste gegevens heeft ingediend, terwijl hij als professioneel wist of redelijkerwijze moest weten dat hij aldus noodzakelijke of nuttige hulp verleende aan het douanemisdrijf.

Daarbij maakt het Hof de belangrijke bedenking dat wel vereist is dat uit feiten blijkt dat het niet anders kan dan dat de douanevertegenwoordiger werkelijk over deze kennis beschikte. Strafbare deelneming kan volgens het Hof immers niet wettig worden afgeleid uit loutere nalatigheid, met name uit het enkele feit dat de douanevertegenwoordiger niet heeft gehandeld zoals een bedachtzame en zorgvuldige marktdeelnemer.

Uit de vaststellingen vermeld in het bestreden arrest bleek niet dat het was uitgesloten dat de douanevertegenwoordiger in kwestie de feiten uit loutere nalatigheid had gepleegd. Volgens het Hof van Cassatie staat niet vast dat de douanevertegenwoordiger wetens en willens en met het vereiste deelnemingsopzet onjuiste gegevens inzake het land van de oorsprong van de ingevoerde goederen in de regularisatieaangifte had vermeld. Het hof van beroep had dan ook ten onrechte geoordeeld dat de douanevertegenwoordiger strafbaar had deelgenomen aan het betreffende feit.

Dit arrest vormt toch een zekere geruststelling voor douanevertegenwoordigers. Het gegeven dat een douanevertegenwoordiger nalatig of onachtzaam is geweest bij het opstellen en indienen van de invoeraangifte en daarbij niet heeft gehandeld als een bedachtzame of zorgvuldige marktdeelnemer is gelet op dit arrest terecht niet voldoende opdat er sprake zou zijn van strafbare deelneming. De administratie D&A zal in het kader van een strafrechtelijke vervolging van een douanevertegenwoordiger op grond van vermeende strafbare deelneming duidelijk moeten aantonen dat de inbreuk niet louter te wijten is aan nalatigheid of onachtzaamheid.

Met betrekking tot douanevertegenwoordiging kan tot slot nog gewezen worden op artikelen 135 en 261/2, 1° van de Algemene wet van 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen (AWDA). Op grond van deze bepalingen wordt de douanevertegenwoordiger die de instructies van zijn klant met betrekking tot de aangifte heeft gevolgd en die vervolgd wordt wegens zgn. ‘sluikerij’, van rechtsvervolging ontslagen zodra de ‘sluikerij’ in hoofde van de klant bewezen is. In geval van strafbare deelneming door de douanevertegenwoordiger is deze strafuitsluitingsgrond niet van toepassing (Cass. 22 juni 2004, AR P.03.1620.N).

Strafbare deelneming door een werknemer

Voormeld arrest van 5 maart 2026 (AR P.25.1632.F) betreft het frauduleus gebruik van kerosine en rode diesel door een transportonderneming.

Een werknemer, de stiefzoon van de bestuurder van de ondernemer, werd als medeplichtige beschouwd door het hof van beroep te Bergen en bijgevolg hoofdelijk gehouden tot betaling van de ontdoken accijnzen. Deze werknemer was nauw betrokken bij het beleid van de onderneming en had er belangrijke administratieve taken.

Hij wierp op dat hij onterecht als medeplichtige werd beschouwd, aangezien hij als werknemer op basis van een arbeidsovereenkomst voor de transportonderneming werkte, zich daardoor dus in een ondergeschikte positie ten aanzien van zijn werkgever bevond en hij geen voordeel zou hebben gehaald uit het accijnsmisdrijf waaraan zijn werkgever en de bestuurder schuldig waren.

De argumenten van de werknemer overtuigden het Hof van Cassatie niet, dat verduidelijkt dat de afwezigheid van een persoonlijk voordeel niet verhindert dat er sprake kan zijn van strafbare deelneming. Dat de werknemer onder leiding van zijn stiefvader zou hebben gewerkt en, na overleg, instructies zou hebben opgevolgd, berooft hem bovendien niet van zijn onderscheidingsvermogen of vrije wil om zich te onthouden van deelname aan accijnsinbreuken.

Tot slot werd de toepassing door het hof van beroep te Bergen van de hoofdelijke gehoudenheid door verscheidene schuldenaren voor eenzelfde accijnsschuld, op grond van art. 7, § 2 van de Wet van 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen, aangevochten door de werknemer in kwestie, met verwijzing naar het proportionaliteitsbeginsel. Ook dit middel werd afgewezen door het Hof van Cassatie, dat oordeelt dat het proportionaliteitsbeginsel geen verband houdt met dit wettelijk mechanisme van hoofdelijke aansprakelijkheid.

Uit het arrest blijkt dat ook voor werknemers die binnen een onderneming nauw betrokken zijn bij douane- en accijnsmateries de nodige omzichtigheid geboden is. Inbreuken inzake douane- en accijnsregelgeving kunnen ook voor hen aanzienlijke gevolgen hebben.

 


DVDTAXLAW is een gespecialiseerd fiscaal advocatenkantoor met ruime ervaring in douane en accijnzen.

Ondernemingen en personen die bijstand wensen van ons kantoor kunnen ons hiervoor steeds contacteren.

 

Doolaege, Verbist & De Meyere BV
Koning Albertlaan 165
9000 Gent
BE 0647.999.788

+32 (0) 9 242 80 10
info@dvdtaxlaw.be