Doolaege, Verbist & De Meyere
Cassatie bevestigt aftrekbaarheid ‘verrekenschuld’ bij optioneel finaal verrekenbeding
22-05-2017

Tussen echtgenoten getrouwd onder een stelsel van scheiding van goederen kan in het huwelijkscontract voorzien worden in een finaal verrekenbeding of ‘alsof-clausule’. Een dergelijk beding komt erop neer dat, bij ontbinding van het huwelijk door echtscheiding of overlijden, een verrekening plaatsvindt met betrekking tot de eigen vermogens van de echtgenoten ‘alsof’ er wel een gemeenschap bestaan had. In geval van ontbinding van het huwelijksstelsel door overlijden komt dit er concreet op neer dat de langstlevende echtgenoot een vordering verkrijgt op het eigen vermogen van de eerstoverleden echtgenoot, en dit volgens de in het huwelijkscontract overeengekomen modaliteiten. Zo kan bijvoorbeeld bij huwelijkscontract bepaald worden dat, in geval van ontbinding van het huwelijk door overlijden, het eigen vermogen van de eerstoverleden echtgenoot een geldsom is verschuldigd aan het eigen vermogen van de langstlevende echtgenoot ten belope van de helft van diens eigen vermogen (verrekensleutel 50/50). Soms gaat men hierbij zelfs nog verder door te bepalen dat de ‘verrekenvordering’ van de langstlevende echtgenoot slaat op het volledige eigen vermogen van de eerstoverledene (verrekensleutel 100/0). In de praktijk wordt een dergelijk beding veelal ‘optioneel’ of ‘vrijblijvend’ geformuleerd. Dit houdt in dat de langstlevende echtgenoot – binnen een bepaalde termijn na het overlijden – moet kiezen of hij/zij de optie van de verrekening licht, en zo ja, in welke mate.

 

Op fiscaal vlak bestond er tot op heden nog een zekere onduidelijkheid wat betreft de optionele variant van het finaal verrekenbeding. De ‘verrekenschuld’ die de beslissing tot lichten van de ‘verrekeningsoptie’ tot gevolg had, wordt door de fiscale administratie immers steevast beschouwd als niet aftrekbaar van het actief in de nalatenschap van de eerstoverleden echtgenoot. De fiscus beroept zich hiervoor op art. 27 Vl.W.Succ. (huidig art. 2.7.3.4.1 VCF), op grond waarvan een schuld slechts als aftrekbaar wordt aanvaard wanneer die schuld “bestaat op de dag van het overlijden van de overledene”. In geval van een ‘optioneel’ finaal verrekenbeding zou de schuld nog niet bestaan op de dag van het overlijden van de eerstoverleden echtgenoot, maar zou deze pas ontstaan zijn ná diens overlijden, nl. pas bij het lichten van de optie door de overlevende echtgenoot, aldus de fiscale administratie.

 

 

erfbelasting

 

 

Bij drie arresten van 24 maart 2017 (F.16.0067.N, F.16.0068.N en F.15.0190.N) heeft het Hof van Cassatie de redenering van de fiscus evenwel naar de prullenmand verwezen. Volgens ons hoogste Gerechtshof is ook een verrekenschuld n.a.v. de uitoefening van een optioneel finaal verrekenbeding wel degelijk aftrekbaar als passief in de nalatenschap van de eerstoverleden echtgenoot. Ook een ‘optionele’ verrekenschuld ‘ontstaat’ immers op het ogenblik van het inlassen ervan in het huwelijkscontract, zodat deze ook ‘bestaat’ op het ogenblik van het overlijden van de eerstoverleden echtgenoot. Het is enkel ‘het definitief, bepaald en opeisbaar worden’ dat wordt uitgesteld tot na het overlijden. De uitoefening van het optierecht doet niet de schuld ontstaan, maar bepaald enkel de omvang ervan.

 

Voortaan is het dus duidelijk dat ook een optionele verrekenschuld aftrekbaar is als passief in de nalatenschap van de eerstoverleden echtgenoot, op voorwaarde dat de optie ook daadwerkelijk gelicht wordt. Dit laatste is trouwens ook nog mogelijk na het indienen van de aangifte nalatenschap. In dit geval zal dan wel een verzoek tot ambtshalve ontheffing moeten worden ingediend bij de Vlaamse Belastingdienst (art. 3.6.0.0.4, eerste lid, 1°, a) VCF).

 

Voor optionele finale verrekenbedingen die vóór 1 juni 2012 in het huwelijkscontract werden ingelast, is voormelde rechtspraak van het Hof van Cassatie welgekomen. Voor vorderingen tot verrekening voortspruitend uit dergelijke clausules kan voortaan met redelijke zekerheid worden aangenomen dat de fiscus hun aftrekbaarheid in de nalatenschap van de eerstoverleden echtgenoot niet langer geldig zal kunnen betwisten.

 

Voor bedingen ingelast vanaf 1 juni 2012 dient men echter nog beducht te zijn voor een eventuele toepassing van de sindsdien van toepassing zijnde antimisbruikbepaling. Al zullen er waarschijnlijk, wanneer men al een “frustratie” van een fiscale bepaling zou kunnen ontwaren, voldoende niet-fiscale motieven aanwezig zijn om de inlassing van een optioneel finaal verrekenbeding te verantwoorden.