Doolaege, Verbist & De Meyere
De screening van bankkaarten door de BBI bij Worldline
17-10-2016

Recent berichtten de media dat de BBI een onderzoek zal uitvoeren bij Worldline.

 

Worldline (opvolger van Atos Worldline, op haar beurt opvolger van Banksys), is de grootste beheerder van elektronisch betalingsverkeer in België. Worldine beschikt over informatie over wie waar welk bedrag heeft betaald of afgehaald.

 

 

bankkaart

 

 

De BBI zou in overleg zijn met Worldline. De resultaten van dit overleg zijn nog niet bekend. Evenwel kunnen reeds enkele bedenkingen bij deze onderzoeksactie worden geformuleerd.

 

Een fiscale controle bij Worldline over niet-nader genoemde belastingplichtigen is mogelijk op grond van artikel 323 WIB 1992. Men noemt dit het zogenaamde “derdenonderzoek”. Maar dit artikel kent wel grenzen.

 

Vooreerst kunnen geen vragen worden gesteld aan financiële instellingen omwille van het bankgeheim. Banksys kreeg al eens eerder een derdenonderzoek, toen over een wel bij naam genoemde belastingplichtige. Banksys verweerde zich toen ook met het bankgeheim. Uiteindelijk oordeelde het Hof van Beroep van Brussel in een arrest van 14 oktober 2010 daarover dat de vraag of de aangezochte instelling een financiële instelling is moet worden beoordeeld in functie van de aard van de activiteit van de instelling. Wanneer een instantie dus wordt ondervraagd over zaken die onderdeel vormen van een bancaire activiteit, die zij bijvoorbeeld in onderaanneming uitvoert voor een financiële instelling, dan geldt het bankgeheim wel. Er anders over oordelen zou immers betekenen dat men door Banksys te ondervragen in plaats van de financiële instelling, het bankgeheim omzeilt.

 

Ondertussen werd het bankgeheim in 2011 grondig afgezwakt. Hierdoor werd het mogelijk dat financiële instellingen in het kader van een derdenonderzoek toch worden ondervraagd, in welbepaalde omstandigheden (aanwijzingen van belastingontduiking of een voornemen om een indiciaire taxatie te vestigen). Deze vragen aan financiële instellingen kunnen evenwel enkel in het kader van een derdenonderzoek over een met naam genoemde belastingplichtige en niet voor een derdenonderzoek, zoals dit hier het geval is, over niet nader genoemde belastingplichtigen. Het bankgeheim lijkt dus een eerste klip die zal moeten worden omzeild met deze controle.

 

Een tweede grens aan het derdenonderzoek over niet nader genoemde belastingplichtigen bestaat erin dat de vragen moeten gaan over personen met wie deze derde rechtstreeks of onrechtstreeks beroepsmatig in contact is geweest. De BBI wenst hier uiteindelijk informatie te bekomen over de klanten van de klanten van Worldline, namelijk de personen die o.m. - elektronisch – betalingen hebben gedaan in restaurants, winkels edm. die elektronische betalingsdiensten bij Worldline hebben afgenomen. Met de personen die de betalingen hebben gedaan, heeft Worldline géén professionele relatie. Voor de toepassing van artikel 323 WIB 1992 volstaat het weliswaar dat er een “onrechtstreekse professionele band” is, maar dient géén enkele professionele band ook te worden begrepen onder een “onrechtstreekse professionele band”?

 

Tot slot zal de BBI ook rekening moeten houden met het recht op privéleven. Het opvragen van informatie over betaalverkeer van personen vormt zonder enige twijfel een inmenging op het privéleven, vermits deze informatie toelaat om zeer duidelijk conclusies te trekken over iemands private doen en laten. Een inmenging in het privéleven is slechts mogelijk indien deze inmenging evenredig is met het legitieme doel dat met deze inmenging wordt beoogd (artikel 8 EVRM). Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie moet in ieder geval worden afgeleid dat het zonder onderscheid opvragen van alle betalingsverkeer over alle personen die gebruikt maken van elektronische betaaldiensten, een brug te ver is (1) . Volgens de persberichten zou het evenwel niet gaan over dergelijke omvangrijke informatieverzameling. De fiscus zou zich nl. beperken tot het betalingsverkeer in België gedaan met buitenlandse betaalkaarten omdat het doel van het onderzoek erin zou bestaan om verborgen rekeningen in belastingparadijzen op te sporen. Maar transacties met buitenlandse betaalkaarten leiden niet per se naar relevante fiscale informatie. Deze transacties kunnen bv. gewoonweg afkomstig zijn van buitenlandse belastingplichtigen, zoals toeristen. Maar ook van Belgische belastingplichtigen die in België betalingen doen met buitenlandse bankkaarten staat geenszins vast dat deze allemaal over rekeningen zouden beschikken die verdacht zijn, denken we maar aan werknemers van buitenlandse bedrijven met een bankkaart van de firma. Gelijkaardige overwegingen kwamen ook al aan bod in een Nederlandse zaak waarbij de Amsterdamse kortgedingrechter diende te oordelen over de evenredigheid van het onderzoek van de Belastingdienst bij EMS, een onderneming met een activiteit van geldtransactiediensten zoals die van Worldine (2) . De Nederlandse kortgedingrechter zette de Belastingdienst toen aan het werk om met EMS in onderling overleg een evenredige voorselectie te maken.

 

De BBI zou in elk geval bij Worldline enkel anonieme informatie opvragen. Er zou dan nadien aan de rechtbank worden gevraagd om de anonimiteit op te heffen. De rechtbank krijgt bij die gelegenheid wellicht de mogelijkheid deze evenredigheid te toetsen. Ons kantoor volgt dit van nabij op.

 

 

 


(1) Analogie met HvJ 8 april 2014, C-293/12 en C-594/12, DIGITAL RIGHTS IRELAND, inzake het bewaren en ter beschikking stellen van gegevens over communicatieverkeer (wie heeft waar hoelang en met wie gecommuniceerd via telefoon, GSM, internet, …)

(2) Rechtbank Amsterdam 8 november 2011 (ECLI:NL:RBAMS:2011:BW2575)