Doolaege, Verbist & De Meyere
Dividenden uit gereglementeerde vastgoedvennootschappen vs. vastgoedbevaks: schending van het gelijkheidsbeginsel
19-05-2016

Als alternatief voor de vastgoedbevaks werd door de wetgever een nieuw statuut in het leven geroepen met de Wet van 12 mei 2014 betreffende gereglementeerde vastgoedvennootschappen (gevolgd door het K.B. van 13 juli 2014). Uit de memorie van Toelichting blijkt dat het de bedoeling was van de wetgever dat de GVV aan hetzelfde fiscaal regime als de vastgoedbevak zouden worden onderworpen.

Hierbij werden 2 categorieën van gereglementeerde vastgoedvennootschappen (hierna “GVV” afgekort) ingevoerd: enerzijds de openbare GVV, waarvan de aandelen tot de handel op een gereglementeerde markt toegelaten zijn én die haar financiële middelen in België of in het buitenland aantrekt via een openbaar aanbod van aandelen en anderzijds de institutionele GVV, die onder de exclusieve of gezamenlijke controle staat van een openbare GVV.

De fiscale aspecten rond de GVV’s werden middels aanvullingen aan bestaande artikelen in het Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 (doch ook in het Wetboek B.T.W. e.a.) behandeld, waaronder de artikelen met betrekking tot de roerende voorheffing op de dividenden die door de GVV’s worden uitgekeerd.

Het was de bedoeling van de wetgever dat het bestaande regime inzake de roerende voorheffing zoals van toepassing op vastgoedbevaks, integraal van toepassing zou zijn op de dividenduitkeringen door GVV’s.

Bij artikel 95 van de Wet van 12 mei 2015 betreffende de gereglementeerde vastgoedvennootschappen werd evenwel artikel 266, tweede lid van het W.I.B.1992 aangevuld met een vierde lid (van toepassing vanaf 16 juli 2014), waarin bepaald werd dat in geen geval (bij K.B.) kon worden afgezien van de inning van de roerende voorheffing op inkomsten van aandelen van een openbare GVV (maar wel onder bepaalde voorwaarden van een institutionele GVV).

Volgens enkele openbare GVV’s werden zij ingevolge deze bepaling op discriminerende wijze behandeld, aangezien zij – in tegenstelling tot de vastgoedbevaks -niet konden genieten van de bestaande vrijstellingen voor de inhouding van de roerende voorheffing.

Bij arrest van 11 mei 2016 van het Grondwettelijk Hof werd voormeld artikel 95 van de Wet van 12 mei 2015 vernietigd. Het Hof bevestigt het standpunt van de verzoekers dat het verschil in behandeling tussen de openbare GVV en openbare vastgoedbevaks zonder redelijke verantwoording is in het licht van de beoogde fiscale neutraliteit, die ook betrekking heeft op het al dan niet afstand doen van de roerende voorheffing op de dividenden uit aandelen in de GVV’s.

Het belang van het arrest van het Grondwettelijk Hof is evenwel beperkt, in die zin dat voormeld artikel 266,tweede lid van het W.I.B.1992, ingevoegd bij artikel 95 van de Wet van 12 mei 2015, intussen opgeheven werd bij artikel 53 van de Wet van 18 december 2015. Die opheffing werd in de parlementaire voorbereiding ingegeven door het belang dat de verzakingen van de roerende voorheffing op de inkomsten uit aandelen van vastgoedbevaks op dezelfde wijze van toepassing zouden zijn als op de inkomsten uit aandelen van GVV’s.