Doolaege, Verbist & De Meyere
Grondwettelijk Hof stelt einde aan de jarenlange discriminatie tussen onroerende en roerende goederen inzake de verrekening van buitenlandse erfbelasting.
09-06-2021

SITUERING

 

In geval van overlijden van een Belgisch rijksinwoner, zijn er niet alleen successierechten (in het Vlaams Gewest: erfbelasting) verschuldigd op de Belgische erfgoederen. De successiebelasting is immers verschuldigd “op de algemeenheid van de aan de overledene (…) toebehorende goederen, waar ze zich ook bevinden”. Ook de in het buitenland gelegen erfgoederen zijn m.a.w. onderworpen aan successierechten. Op die manier kan er dubbele belasting ontstaan wanneer de betreffende buitenlandse Staat eveneens erfbelasting heft op de aldaar gelegen erfgoederen van de Belgische erflater.

 

In tegenstelling tot wat het geval is inzake directe belastingen (bv. personenbelasting en vennootschapsbelasting), zal men zich in dergelijke gevallen veelal niet kunnen beroepen op een dubbelbelastingverdrag. Inzake successierechten (of erfbelasting) heeft België immers slechts een dubbelbelastingverdrag afgesloten met twee landen, nl. Frankrijk en Zweden. Het verdrag met Zweden is dan ook nog niet eens relevant, vermits Zweden haar successiebelasting heeft afgeschaft met ingang van 1 januari 2005.

 

In de Belgische wetgeving is – gelukkig – voorzien in een vorm van verrekening van de (tevens) in het buitenland verschuldigde erfbelasting. Deze verrekening staat echter slechts open voor onroerende goederen (bv. een buitenlandse vakantiewoning die tevens wordt belast in het land van ligging): “wanneer het actief van de nalatenschap van een rijksinwoner in het buitenland gelegen onroerende goederen omvat, die aanleiding geven tot het heffen, in het land van de ligging, van een erfbelasting, wordt het in België opvorderbaar successierecht, in de mate waarin het deze goederen treft, verminderd met het bedrag van de in het land der ligging geheven belasting” (art. 17 W.Succ.; art. 2.7.5.0.4 VCF). Een dergelijke verrekening met de Belgische successierechten is niet voorzien voor de in het buitenland betaalde belasting op roerende goederen (bv. een buitenlandse bankrekening of aandelen van een buitenlandse vennootschap, die tevens worden belast in het land alwaar deze worden aangehouden).

 

In de praktijk is het nochtans zo dat bepaalde landen (bv. Spanje, de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk) effectief niet alleen erfbelasting heffen op de aldaar gelegen onroerende goederen, maar tevens op (bepaalde) roerende goederen die zich aldaar bevinden. De vraag kon dan ook worden gesteld of het door de Belgische wetgever gemaakte onderscheid tussen onroerende goederen (buitenlandse erfbelasting is verrekenbaar) en roerende goederen (buitenlandse erfbelasting is niet verrekenbaar) wel in overeenstemming is met het grondwettelijk gewaarborgd gelijkheidsbeginsel.

 


administratie

GRONDWETTELIJK HOF

 

De vermelde wetsbepaling (die enkel voorziet in een verrekening voor buitenlandse erfbelasting geheven op onroerende goederen) bestaat reeds sinds 1923, maar werd tot voor kort nog nooit (op ernstige wijze) getoetst op haar grondwettigheid.

 

Het heeft geduurd tot 13 februari 2020 vooraleer een rechtscollege, en in het bijzonder het Hof van Cassatie, is ingegaan op het verzoek van een belastingplichtige om hierover een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.

 

Bij arrest van 3 juni 2021 (rolnr. 80/2021) heeft het Grondwettelijk Hof hier dan eindelijk over kunnen oordelen. Door het Grondwettelijk Hof werd hierbij vastgesteld dat artikel 17 W.Succ. (sinds 1 januari 2015 voor het Vlaamse Gewest terug te vinden in artikel 2.7.5.0.4 VCF) werd ingevoerd vanuit een dubbele doelstelling: (i) “om de gestrengheid van een dubbele belasting te temperen” en (ii) vanuit “billijkheidsoverwegingen”. Mede gelet op het feit dat de internationale mobiliteit van zowel personen als goederen en kapitalen sedert 1923 substantieel is toegenomen (en ook roerende goederen een aanzienlijke waarde kunnen hebben), komt het Grondwettelijk Hof dan ook tot de conclusie dat het verschil in behandeling naargelang de soort van goederen (onroerend of roerend) niet redelijk is verantwoord.

 

Het Grondwettelijk Hof besliste vervolgens dat artikel 17 W.Succ. in strijd is met het grondwettelijk gewaarborgd gelijkheidsbeginsel, in zoverre het er niet in voorziet dat ook een verrekening kan worden genoten van de in het buitenland geheven erfbelasting op aldaar aangehouden roerende goederen. Er werd beslist dat het aan de verwijzende rechter (en in de praktijk dus ook aan alle bodemrechters) staat om, “in afwachting van het optreden van de wetgever”, een einde te maken aan de vastgestelde discriminatie door – eenvoudig vertaald – de wet zo te interpreteren dat ook voor de in het buitenland gelegen roerende goederen een verrekening van de aldaar ev. geheven erfbelasting moet worden toegepast.

 

In geval van een internationale nalatenschap zal er voortaan dus ook voor in het buitenland gelegen roerende erfgoederen, die aldaar worden belast, een verrekening van de ev. buitenlandse erfbelasting plaatsvinden. Hoewel het Grondwettelijk Hof zich uitsluitend heeft uitgesproken over artikel 17 W.Succ. (zoals nog van toepassing in het Waalse en Brussels Hoofdstedelijk Gewest), geldt dezelfde conclusie – voor de toekomst – ongetwijfeld ook voor het gelijklopende artikel 2.7.5.0.4 VCF (zoals van toepassing in het Vlaamse Gewest). De Vlaamse Belastingdienst zou er goed aan doen om hier een uitdrukkelijk standpunt over uit te vaardigen op haar website (https://belastingen.vlaanderen.be). Ook het ontwerp van aangifteformulier (zie pagina’s 23-24) zou dan op dit punt moeten worden aangevuld met de extra gunstregeling “vermindering buitenlands roerend goed waarop in het buitenland erfbelasting werd betaald”.

 

Voor belastingplichtigen aan wie in het verleden geen aftrek van de buitenlandse erfbelasting op roerende goederen werd toegestaan (ofwel omdat dit – op grond van de toenmalige, later onwettig gebleken, interpretatie van artikel 17 W.Succ. – niet werd gevraagd in de aangifte nalatenschap, ofwel omdat dit door de belastingdienst werd geweigerd), dienen de gevolgen van dit arrest nog te worden onderzocht. Hierbij kan alvast reeds het volgende onderscheid worden gemaakt :

  • Indien de termijn om teruggaaf te bekomen (wat betreft het Waalse of het Brussels Hoofdstedelijk Gewest) of om een bezwaarschrift in te dienen (wat betreft het Vlaamse Gewest) nog niet is verstreken, lijkt een verrekening nog steeds te kunnen worden bekomen door deze wettelijke mogelijkheden uit te putten;
  • Indien de toepasselijke termijn reeds is verstreken, lijkt de betaalde belastingschuld – op het eerste zicht – definitief, maar lijkt een principiële argumentatie (ofwel op grond van een opeenvolgende toepassing van de artikelen 4, lid 2 en 18 van de Bijzonder Wet op het Grondwettelijk Hof, ofwel – wat het Vlaamse Gewest betreft – op grond van artikel 3.6.0.0.1 VCF of ev. zelfs artikel 3.6.0.0.4, 1° VCF) niet a priori volledig uitgesloten.

 


Voor meer informatie kan u steeds contact opnemen met ann.verbist@dvdtaxlaw.be en stijn.plas@dvdtaxlaw.be.