Niet-aangegeven inkomsten die blijken uit een strafdossier dat wordt geseponeerd: de fiscus wordt beperkt in zijn mogelijkheden om nog een aanslag te vestigen
Als niet-aangegeven inkomsten blijken uit een strafdossier dan krijgt de fiscale administratie normaal gezien een uitzonderlijke aanslagtermijn van 12 maanden om die inkomsten nog te belasten (1). Als het strafdossier evenwel wordt geseponeerd dan kan die termijn niet worden toegepast door de fiscus. Die termijn kan zelfs niet worden toegepast als de beslissing tot seponering nog niet is genomen. Een aanslag die dus op grond van die uitzonderlijke termijn is gevestigd voordat de beslissing tot seponering is genomen, kan worden vernietigd eens bekend is dat het strafdossier wordt geseponeerd. Dat leren we uit een recent arrest van het Hof van Cassatie van 21 mei 2026 (zie ook enkele dagen later : Hof van Beroep van Antwerpen van 2 juni 2026).
Niet-aangegeven inkomsten die blijken uit een strafdossier dat wordt geseponeerd
Wanneer uit een strafdossier blijkt dat er inkomsten fiscaal niet zijn aangegeven, dan laat de wet toe dat de fiscus deze inkomsten nog belast, ook al zijn de gebruikelijke aanslagtermijnen al verstreken. Het moet dan wel gaan over belastbare inkomsten die niet werden aangegeven in één van de vijf jaren vóór het jaar waarin de strafvordering is ingesteld. De uitzonderlijke aanslagtermijn die de administratie dan krijgt om deze inkomsten nog te belasten bedraagt twaalf maanden. Die termijn moet worden berekend vanaf de datum waarop tegen de beslissing over de strafvordering geen verhaal meer mogelijk is. Maar hoe zit dat dan bij een seponering van het strafdossier? Een beslissing tot seponering is immers geen formele eindbeslissing over de strafvordering zoals bedoeld in de fiscale wet (2). Het gevolg is dat de 12-maanden termijn nooit begint te lopen als een strafdossier wordt geseponeerd. De belastingplichtige blijft in dat geval dus voor onbepaalde tijd in het ongewisse over de vraag of de inkomsten alsnog zullen worden belast. Het Grondwettelijk Hof had eerder al geoordeeld dat de fiscale wet in die situatie ongrondwettelijk is (3). De fiscus kan een dergelijke ongrondwettelijke wet niet toepassen. Maar wat nu als de fiscus de niet-aangegeven inkomsten al belast op grond van deze uitzonderlijke termijn, nog voor er een beslissing over het strafdossier is genomen (4)?
Zelfs voor de beslissing tot seponering kan de uitzonderlijke aanslagtermijn niet worden toegepast
De administratie verdedigde dat wanneer de aanslagen worden gevestigd voor de seponeringsbeslissing, de belastingplichtige niet voor onbepaalde tijd in het ongewisse wordt gelaten, en de uitzonderlijke aanslagtermijn wel kan worden toegepast. Maar het Hof van Cassatie volgt die redenering niet en ook het Hof van Beroep te Antwerpen kwam op ongeveer hetzelfde moment tot dezelfde conclusie. Er wordt gesteld dat ook in geval de seponeringsbeslissing nog niet is gevallen, de uitzonderlijke aanslagtermijn niet kan worden toegepast. Een ongrondwettelijke bepaling kan immers niet worden toegepast. De aanslagen die al waren gevestigd voor de seponeringsbeslissing worden vernietigd.
Wat kan de fiscus nog doen?
Als niet-aangegeven inkomsten blijken uit een strafdossier, kan de fiscus dus best eerst nakijken of de gebruikelijke aanslagtermijnen nog kunnen worden toegepast. Als dat niet geval is, dan kan de fiscus wachten tot er een eindbeslissing komt over het strafdossier om vervolgens binnen de door de wet voorziene 12 maanden termijn nog belastingen te vestigen. Als de fiscus de eindbeslissing niet afwacht dan loopt zij het risico dat deze aanslagen worden vernietigd wanneer het strafdossier eindigt in een seponering.
(1) Artikel 358 § 1, 3° en 358 § 2, 2° WIB
(2) Cass. 23 februari 2018, F.17.0078.F
(3) GwH 10 november 2022 (nr. 144/2022)
(4) Dit kan principieel: zie Cass. 1 oktober 2004, F.02.009.N


