De nieuwe regeling betreffende het ‘afzien’ van een belastingverhoging inzake inkomstenbelastingen
Algemeen
Inzake inkomstenbelastingen bepaalt artikel 444, eerste lid van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna: WIB’92) dat in geval van niet-aangifte, laattijdige overlegging van de aangifte, onvolledige of onjuiste aangifte een belastingverhoging wordt opgelegd. De belastingverhoging wordt bepaald overeenkomstig een schaal waarvan de trappen zijn vastgesteld in het Koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna: KB/WIB’92).
Belastingverhogingen lopen op van 10% tot 200%. Welk percentage van toepassing is hangt af van de rang van de overtreding en van de vraag of er al dan niet sprake is van opzet de belasting te ontduiken. De schaal voor een overtreding begaan met het opzet de belasting te ontduiken begint met een belastingverhoging van 50%.
Indien een overtreding te wijten is ‘aan omstandigheden onafhankelijk van de wil van de belastingplichtige’ dan is er geen belastingverhoging van toepassing.
Vroegere regeling inzake het ‘afzien’ van een belastingverhoging
Het vroegere derde lid van artikel 444 WIB’92 voorzag dat bij ontstentenis van kwade trouw kan worden afgezien van het minimum van 10% belastingverhoging.
De belastingadministratie beschouwde dit als een mogelijkheid en dus niet als een bepaling die automatisch dient te worden toegepast. In het kader van deze bepaling hield de belastingadministratie overigens vaak rekening met bijkomende voorwaarden uit interne richtlijnen en administratieve commentaren, die niet in de wettekst vervat waren.
Huidige regeling
De Programmawet van 18 juli 2025 heeft het derde lid van artikel 444 WIB’92 gewijzigd. Nu wordt bepaald dat er wordt afgezien van een belastingverhoging bij een eerste te goeder trouw begane overtreding.
Dit wordt geformuleerd als een verplichting en dus niet langer als een mogelijkheid.
Er wordt niet langer verwezen naar ‘ontstentenis van kwade trouw’ maar naar een overtreding die ‘te goeder trouw’ werd begaan.
Dat wordt afgezien van een belastingverhoging wordt thans gekoppeld aan ‘een eerste overtreding’ in plaats van aan ‘het minimum van 10% belastingverhoging’.
Om te bepalen of er sprake is van een ‘eerste overtreding’ moet rekening worden gehouden met art. 227 KB/WIB’92. Dit artikel, dat ongewijzigd blijft, voorziet dat de vorige overtredingen, zonder of met het opzet de belasting te ontduiken, niet in aanmerking worden genomen wanneer geen enkele overtreding inzake aangifte in de inkomstenbelastingen (anders dan met betrekking tot roerende voorheffing of bedrijfsvoorheffing) is bestraft voor de laatste vier aanslagjaren die het aanslagjaar voorafgaan waarvoor de nieuwe overtreding moet worden bestraft.
Inzake roerende voorheffing en bedrijfsvoorheffing worden vorige overtredingen, zonder of met het opzet de belasting te ontduiken, overeenkomstig artikelen 228 en 228/1 KB/WIB’92 niet in aanmerking genomen wanneer geen enkele overtreding inzake aangifte en betaling van roerende voorheffing of bedrijfsvoorheffing, afzonderlijk beschouwd, is bestraft voor vier opeenvolgende maandelijkse, driemaandelijkse of jaarlijkse vervaldagen.
De Programmawet van 18 juli 2025 voert met het vierde lid van artikel 444 WIB’92 een vermoeden in. Goede trouw wordt, behoudens bewijs van het tegendeel, vermoed te bestaan in hoofde van de belastingplichtige die een eerste overtreding heeft begaan, behalve wanneer de administratie artikel 351 WIB’92 toepast om de aanslag van ambtswege te vestigen.
Indien de procedure van de aanslag van ambtswege wordt toegepast geldt het vermoeden dus niet.
Het vermoeden is weerlegbaar. Om de toepassing van het vermoeden te verhinderen zal de administratie afdoende moeten bewijzen dat de belastingplichtige de overtreding niet te goeder trouw heeft begaan.
Circulaire nr. 2025/C/49 van 28 juli 2025
De belastingadministratie heeft haar standpunten over de nieuwe regeling uiteengezet in de Circulaire nr. 2025/C/49 van 28 juli 2025. Daarin wordt overigens ook een overzicht gegeven van de algemene principes bij het toepassen van belastingverhogingen.
De belastingadministratie benadrukt in de circulaire dat wanneer wordt afgezien van een belastingverhoging, dus in geval van een eerste overtreding te goeder trouw, deze eerste overtreding rang inneemt, met het oog op het bepalen van het percentage van een belastingverhoging bij een eventuele volgende overtreding. Bij een tweede overtreding zonder het opzet de belasting te ontduiken, begaan vóór het verstrijken van voormelde periode van art. 227 KB/WIB’92, wordt dan bijvoorbeeld in principe een belastingverhoging van 20% toegepast.
Inzake roerende voorheffing en bedrijfsvoorheffing geldt overeenkomstig art. 228 KB/WIB’92 een afwijkende schaal van belastingverhogingen. Bij een eerste overtreding zonder het opzet de belasting te ontduiken wordt sowieso geen belastingverhoging toegepast. Voor een tweede overtreding zonder het opzet de belasting te ontduiken wordt een belastingverhoging van 10% toegepast, enz.
Overtredingen inzake de in titel 6, hoofdstuk 1, afdeling 4, onderafdeling 3 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde vrijstellingen van doorstorting van bedrijfsvoorheffing (bijv. wegens ploegen- of nachtarbeid) vormen hierop een uitzondering. Op grond van artikel 228/1 KB/WIB’92 begint de schaal voor overtredingen zonder het opzet de belasting te ontduiken wel met een belastingverhoging van 10% (voor een eerste overtreding).
Voorts geeft de belastingadministratie duiding over de begrippen ‘goede trouw’, ‘kwade trouw’ en ‘opzet de belasting te ontduiken’.
De belastingadministratie stelt dat goede trouw moet worden onderscheiden van de afwezigheid van het opzet de belasting te ontduiken. Een belastingplichtige kan dus volgens de belastingadministratie niet te goeder trouw handelen zonder dat dit noodzakelijkerwijs betekent dat deze handelt met het opzet de belasting te ontduiken.
De belastingadministratie merkt verder op dat een belastingplichtige die kwader trouw handelt niet noodzakelijk zou handelen met het opzet de belasting te ontduiken. De belastingadministratie lijkt met deze stelling het begrip ‘kwade trouw’ dus te situeren als iets dat zich bevindt tussen ‘goede trouw’ en ‘opzet de belasting ontduiken’. Als voorbeeld van kwade trouw wordt in de circulaire onder meer verwezen naar iemand die ‘wetens en willens kosten aftrekt die duidelijk niet beroepsmatig zijn’. In een dergelijk geval zou, indien de zienswijze van de belastingadministratie wordt gevolgd, bij een eerste overtreding niet kunnen worden afgezien van een belastingverhoging, doch zou niet noodzakelijkerwijs een belastingverhoging van 50% (voorzien voor overtredingen begaan met het opzet de belasting te ontduiken) van toepassing zijn.
De belastingadministratie bevestigt verder in de circulaire dat wanneer de procedure van aanslag van ambtswege wordt toegepast, in welk geval voormeld vermoeden van goede trouw niet van toepassing is, de belastingplichtige nog altijd kan bewijzen dat de overtreding te goeder trouw werd begaan.
Werking in de tijd van de nieuwe regeling
Overeenkomstig artikel 39 van de Programmawet van 18 juli 2025 is de nieuwe regeling van toepassing op aanslagen die zijn ingekohierd vanaf 29 juli 2025.
Het hof van beroep te Gent heeft in een arrest van 18 november 2025 echter geoordeeld dat, niettegenstaande deze bepaling in de Programmawet, de nieuwe regeling ook geldt met betrekking tot belastingverhogingen opgelegd bij aanslagen ingekohierd vóór 29 juli 2025 (Gent 18 november 2025, 2024/AR/639). Het hof maakt daarbij toepassing van het principe van de terugwerkende kracht van de mildere strafwet. Belastingverhogingen op grond van art. 444 WIB’92 zijn immers sancties van strafrechtelijke aard.
In lopende betwistingen of in gevallen waarin de toepasselijke termijnen voor (verdere) betwisting nog niet zijn verstreken, kan dus de toepassing van de nieuwe regeling worden verzocht (voor zover de voorwaarden daartoe voldaan zijn).
DVDTAXLAW staat belastingplichtigen geregeld bij in de betwisting van belastingverhogingen. Uw dossier wordt grondig geanalyseerd en getoetst aan artikel 444 WIB’92 en het KB/WIB’92.
Neem contact op met ons kantoor voor een gerichte beoordeling van uw dossier en een doordachte fiscale verdediging.



