Zal de graduele beperking van de aftrek van onderhoudsuitkeringen leiden tot een toename van het fiscaal co-ouderschap bij verblijfsco-ouderschap? Wat bij “birdnesting”?

Fiscale uitgangspunten voor verblijfsregelingen van kinderen

Ouders die niet langer deel uitmaken van hetzelfde gezin, bijvoorbeeld na echtscheiding,  blijven in beginsel onderhoudsplichtig ten opzichte van hun kinderen. De fiscale wetgever voorziet in dergelijke situatie in twee regimes, enerzijds in geval van een gelijkmatig verdeelde huisvesting van de kinderen (cfr. verblijfsco-ouderschap) in een fiscaal co-ouderschapsregeling en anderzijds in geval van betaling van onderhoudsuitkeringen in een fiscale aftrekbaarheid van deze onderhoudsuitkeringen.

Fiscaal co-ouderschap [1] heeft tot doel dat ouders die gezamenlijk de lasten van een kind delen, onder bepaalde voorwaarden ook gezamenlijk de fiscale voordelen ervan kunnen genieten. De voorwaarden zijn tweeledig: enerzijds moet het verblijf van de kinderen strikt gelijkmatig verdeeld zijn tussen beide ouders en anderzijds moet de overeenkomst die dergelijke gelijkmatige verdeling vastlegt geregistreerd of door de rechter gehomologeerd zijn en bevestigen dat zij bereid zijn de toeslagen op de belastingvrije sommen gelijkmatig te verdelen. Indien de ouders niet tot overeenkomst komen, kan de rechter beslissen om gelijkmatig verdeelde huisvesting op te leggen.

Algemeen kan worden aangenomen dat deze regeling het best aansluit bij het uitgangspunt van een verblijfsco-ouderschap.

In de praktijk is echter gebleken dat, vanuit financieel oogpunt, het fiscaal voordeel dat kan worden genoten bij de aftrek van onderhoudsuitkeringen in de meerderheid van de gevallen groter is dan het fiscaal voordeel van het fiscaal co-ouderschap.

De beide systemen zijn in beginsel niet cumuleerbaar. Als een ouder opteert voor de aftrek van onderhoudsuitkeringen, moet de “andere” ouder het volledige fiscale voordeel van de toeslag van de belastingvrije som aanvragen in diens aangifte; de administratie wijst niet automatisch het volledige fiscale voordeel aan deze persoon toe.

Op heden wordt aanvaard dat het regime van fiscaal co-ouderschap een keuze-systeem is, waardoor ouders in het kader van de overeenkomsten die zij sluiten op zoek gaan naar de meest optimale fiscale situatie wat betreft het verblijf van de kinderen. Hierbij is het van belang dat de voorwaarden die de fiscale wetgeving oplegt, nauwgezet worden gevolgd. Steeds meer betwistingen bewijzen dat er grenzen zijn aan de fiscale optimalisaties.

Wetgevend initiatief: beperking van de aftrek van onderhoudsuitkeringen

Onderhoudsuitkeringen kunnen ten belope van 80% in aftrek worden genomen van het totale netto-inkomen mits aan vier voorwaarden is voldaan [2]:

  • Het onderhoudsgeld dient te worden betaald in uitvoering van een wettelijke verplichting opgelegd door het BW, Ger W of een gelijkaardige wettelijke verplichting in een buitenlandse wet;
  • De genieter mag geen deel uitmaken van het gezin van de persoon die de uitkering betaalt;
  • De persoon die betaalt moet het onderhoudsgeld regelmatig betalen;
  • De betaling van het onderhoudsgeld dient verantwoord te worden met bewijskrachtige bescheiden.

Ingevolge een wetgevend initiatief[3] zal de omvang van het bedrag van de aftrek van onderhoudsuitkeringen vanaf aanslagjaar 2026 gradueel worden beperkt:

  • tot 70 % voor aanslagjaar 2026, inkomstenjaar 2025
  • tot 60 % voor aanslagjaar 2027, inkomstenjaar 2026
  • tot 50 % vanaf aanslagjaar 2028, inkomstenjaar 2027

Uitkeringen naar landen buiten de EER zijn niet langer aftrekbaar zijn. Deze regeling geldt voor belastbare tijdperken die eindigen na 31 december 2025.

In de berichtgeving werd reeds veelvuldig gewezen op de gevolgen van deze wetswijziging op eerder gemaakte afspraken tussen ouders, voornamelijk omwille van het feit dat de nieuwe wetgeving van toepassing zal zijn op onderhoudsuitkeringen betaald vanaf 1 januari 2025 (cfr. aanslagjaar 2026).

De fiscale administratie beschrijft de praktische impact en inwerkingtreding van de wetswijzigingen zowel op vlak van aftrekbaarheid als op vlak van belastbaarheid in twee  handige tabellen in de bijlagen bij de circulaire 2026/C/12 van 7 januari 2026[4].

Aangekondigde wijzigingen waarbij het onderscheid tussen gewone en buitengewone onderhoudsuitkeringen en de aftrekbaarheid ervan wettelijk zou worden verankerd, zijn voorlopig niet aangenomen. Ook het uitgangspunt dat verblijfsco-ouderschap “automatisch” leidt tot de toepassing van het met fiscaal co-ouderschap, waardoor er geen keuzemogelijkheid meer zal zijn, werd eveneens niet opgenomen in voornoemd wetgevend initiatief.

Leidt deze beperking toch tot een toename van de toepassing van het fiscaal co-ouderschap?

De vraag rijst of de beperking van de aftrekbaarheid van de onderhoudsuitkeringen toch zal leiden tot een toename van het gebruik van het regime van fiscaal-co-ouderschap.

Enkel in gevallen van verblijfsco-ouderschap met gelijkmatig verdeelde huisvesting is er op dat vlak nog steeds een keuzemogelijkheid.

Dus ook in geval van verblijfsco-ouderschap kan in theorie worden geopteerd om onderhoudsuitkeringen in aftrek te brengen op voorwaarde dat is voldaan aan alle wettelijke voorwaarden in hoofde van de ouder bij wie de kinderen geen deel uitmaken van zijn gezin bijvoorbeeld omdat ze gedomicilieerd zijn bij de andere ouder.

Voor onderhoudsuitkeringen betaald in 2025 en waarbij tevens is voldaan aan de voorwaarden van fiscaal co-ouderschap op 1 januari 2026 kan aldus worden nagegaan welke keuze de meest optimale is. Hierbij wordt bij voorkeur rekening gehouden met de verdere daling van het aftrekbaarheidspercentage van de betaalde onderhoudsuitkeringen.

Opgelet bij birdnesting

Birdnesting is een co-ouderschapsregeling waarbij kinderen in het ouderlijk huis blijven wonen terwijl de ouders (meestal wekelijks) beurtelings verhuizen.

De rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen behandelde deze vraag voor het eerst op 30 januari 2017[5]. In deze zaak hadden mevrouw X en meneer Y in hun EOT-overeenkomst gekozen voor birdnesting. Meneer Y wenste de onderhoudsuitkeringen die hij betaald had aan zijn kinderen in aftrek te brengen. De rechtbank aanvaardt dit echter niet omdat volgens haar niet was voldaan aan de voorwaarde ‘geen deel uitmaken van het gezin’. Birdnesting werd gezien als een “(periodieke) tijdelijke verwijdering uit het gezin wat de essentie van het deel ervan uit blijven maken alzo niet aantast.” Eventueel betaalde onderhoudsuitkeringen komen dus niet in aanmerking voor de aftrek.

Dezelfde rechtbank kwam op 11 maart 2024 terug op haar eerdere rechtspraak[6]. Ze stelde dat het begrip ‘gezin’ moet begrepen worden als “een feitelijke toestand die gekenmerkt wordt door een huiselijk samenleven en -wonen, zonder tijdelijke onderbrekingen uit te sluiten.” Ze concludeerde dat er geen sprake kan zijn van een gezin wanneer “duidelijk is dat er geen enkele intentie is om als gezin verder te gaan.”  Aldus kunnen de onderhoudsuitkeringen die de vader aan zijn kinderen betaalde, wel in aftrek worden genomen.

Inmiddels werd deze vraag ook voorgelegd aan de Dienst Voorafgaande Beslissingen, met name, of de door de heer X betaalde huisvestingskosten verbonden aan de ouderlijke gezinswoning (mevrouw Y heeft de kinderen ten laste) aftrekbare onderhoudsuitkeringen uitmaken in hoofde van de heer X.

De Dienst Voorafgaande Beslissingen is evenwel van mening dat in geval van birdnesting niet is voldaan aan de voorwaarden ‘geen deel uitmaken van het gezin’ uit artikel 104, lid 1, 1° WIB. De kinderen blijven immers nog deel uitmaken van het gezin van de betaler van de onderhoudsuitkering die zich telkens slechts tijdelijk verwijdert uit het gezin. Een tijdelijke verwijdering belet niet dat men nog steeds deel uitmaakt van hetzelfde gezin.

De betaalde onderhoudsuitkeringen kunnen bijgevolg niet worden aangemerkt als aftrekbare onderhoudsuitkeringen[7].

Belang voor de praktijk

Een analyse van de verschillende fiscale regimes in het kader van de verblijfregelingen van kinderen vereist een gedegen kennis van de strikte fiscale voorwaarden. In vele gevallen is de fiscale wetgeving van openbare orde en kan er niet contractueel worden afgeweken van deze voorwaarden.

Elke optimalisatie dient uit te gaan van een toetsing van de concrete feiten aan de fiscale voorwaarden en behoeft een professionele beoordeling.

DVDTAXLAW beschikt over een uitgebreide en erkende ervaring inzake gezinsfiscaliteit en kan u bijstaan de juiste keuze te maken teneinde elke discussie met de fiscale administratie uit te sluiten.


[1] artikel 132bis WIB

[2] artikel 104, lid 1, 1° WIB

[3] Gedr. St. Kamer, 2024-2025 doc 56 0963/030 d.d. 9 december 2025

[4] Circulaire 2026/C/12 over de wijzigingen inzake de fiscale behandeling van onderhoudsuitkeringen en bijlagen 1-2, van 7 januari 2026, www.fisconetplus.be

[5] Rb. Antwerpen, 30 januari 2017, rolnummer 15/6542/A, www.taxwin.be

[6] Rb. Antwerpen, 11 maart 2024, rolnummer 23/333/A, www.taxwin.be

[7] Jaarverslag 2023 van de Dienst Voorafgaande Beslissingen, gepubliceerd op 25 juni 2024 op www.ruling.be, p. 40

Doolaege, Verbist & De Meyere BV
Koning Albertlaan 165
9000 Gent
BE 0647.999.788

+32 (0) 9 242 80 10
info@dvdtaxlaw.be