De hervormde patrimoniumtaks: Grondwettelijk Hof gaat akkoord met tariefverhoging, maar vernietigt gunstregeling
De patrimoniumtaks
Jaarlijks betalen alle vzw’s, internationale vzw’s en private stichtingen een patrimoniumtaks (officieel: de taks tot vergoeding der successierechten). Het gaat om een belasting die wordt berekend op basis van de waarde van hun bezittingen.
Met ingang van 1 januari 2024 werd deze taks grondig hervormd [1]. Eén van deze wijzigingen betrof de verhoging van het belastingtarief. Waar de patrimoniumtaks voorheen een vlak tarief kende van 0.17%, geldt er sindsdien een progressief opklimmend tarief. Daarnaast werd ook een voetvrijstelling van 50.000 euro ingevoerd [2].
Schematisch kan het sinds 2024 verschuldigde belastingtarief als volgt worden voorgesteld:

In principe is de patrimoniumtaks verschuldigd op het gehele vermogen van de belastingplichtige, met uitzondering van de werkingsmiddelen [3].
De wetgever heeft bij deze hervorming bepaalde sectoren willen ontzien. Om de verhoging van het tarief te neutraliseren werd daarom bepaald dat in bepaalde sectoren slechts 37,7% van hun vermogen in aanmerking wordt genomen ter berekening van de hervormde patrimoniumtaks. De overige 62,3% wordt dus vrijgesteld [4].
Oorspronkelijk was deze gunstregeling enkel bedoeld voor de zorgsector. In dit kader konden ook de zgn. patrimonium-VZW’s die actief zijn in de zorgsector zich beroepen op de gunstregeling [5].
In de loop van de parlementaire behandeling is deze gunstregeling sterk uitgebreid. Via amendement werden ook de sport-, onderwijs- en cultuursector toegevoegd. Nadien werden ook maatwerkbedrijven en medische huizen toegevoegd. Tot slot werd de uitzonderingsregeling ook nog van toepassing verklaard op dierenasielen en centra voor private archieven.
Vernietigingsberoep bij het Grondwettelijk Hof
Tegen de hervormde (lees: verhoogde) patrimoniumtaks werden zeven verzoekschriften tot vernietiging ingediend bij het Grondwettelijk Hof. Door de verzoekende partijen werd hierin o.a. aangevoerd dat het gelijkheidsbeginsel zou zijn geschonden doordat slechts bepaalde sectoren kunnen genieten van het nieuwe gunststelsel (verlaging van de belastbare grondslag), terwijl andere sectoren de belasting verschuldigd zijn op het geheel van hun bezittingen. Als voorbeeld wordt o.a. verwezen naar de vzw “Kom op tegen kanker”, die geen aanspraak kan maken op de voordeligere regeling.
In haar arrest van 4 december 2025 herhaalt het Grondwettelijk Hof in eerste instantie de klassieke overweging dat de wetgever in fiscale zaken beschikt over een ruime beoordelingsvrijheid. In dit kader wordt herhaald dat het de wetgever vrij staat om de patrimoniumtaks te verfijnen door middel van specifieke vrijstellingen en verminderingen, om op die manier “zijn sociaal en economisch beleid vorm te geven”.
Volgens het Hof neemt dit evenwel niet weg dat een door de wetgever voorziene gunstregeling nog steeds redelijk en objectief moet kunnen worden verantwoord.
Het Grondwettelijk Hof gaat dit laatste na op basis van de parlementaire voorbereiding. Hieruit blijkt dat de voornoemde gunstregeling in essentie tot doel heeft de impact van het nieuwe progressieve tarief te neutraliseren.
Wat betreft de zorgsector wil de wetgever de toegang tot de zorgverlening niet duurder maken en de sector blijven ondersteunen [6]. De maatwerkbedrijven, medische huizen en dierenasielen hebben eveneens een zorgfunctie. Ook zij moeten dus kunnen genieten van de gunstregeling [7].
De vermindering toegekend aan belastingplichtigen uit de sport-, onderwijs- en cultuursector heeft tot doel het beleid te ondersteunen en te vermijden dat aan de aanbodzijde een fiscale last wordt gecreëerd [8].
Tot slot verantwoordt men de vermindering toegekend aan de private archieven door te wijzen op hun bewaarfunctie en de investeringen die daarbij komen kijken [9].
Het Grondwettelijk Hof besluit dat de door de wetgever aangehaalde motieven niet redelijk verantwoorden dat het voordeel wordt beperkt tot de voormelde sectoren. De gegeven verantwoording is dermate ruim dat zij in werkelijkheid ook voor andere sectoren geldt. De sectoren die in aanmerking komen voor de vermindering onderscheiden zich, op grond van de aangehaalde verantwoording, niet van andere vergelijkbare belastingplichtigen.
Omwille van deze redenen wordt door het Grondwettelijk Hof beslist om de hervorming van de patrimoniumtaks te vernietigen in de mate waarin werd voorzien in een lagere belastbare grondslag voor bepaalde sectoren (met uitsluiting van alle andere sectoren). Teneinde te vermijden dat bepaalde sectoren met terugwerkende kracht zouden worden geconfronteerd met een fiscale last die zij niet hebben voorzien, en om de wetgever toe te laten een nieuwe regeling aan te nemen, wordt evenwel beslist om de gevolgen van de wet te handhaven tot uiterlijk 31 december 2026.
Voor het overige wordt de hervorming (en daarmee dus ook de aanpassing van het tariefstelsel) niet vernietigd en blijft zij dus behouden.
Gevolgen van dit arrest voor uw VZW, internationale VZW of private stichting
Het besproken arrest heeft geen onmiddellijke gevolgen voor de fiscale situatie van entiteiten die zijn onderworpen aan de huidige patrimoniumtaks.
In overgrote mate heeft het Grondwettelijk Hof immers beslist om de hervormde patrimoniumtaks te behouden. Ook voor de toekomst zullen (internationale) VZW’s en private stichtingen dus onderworpen blijven aan het hervormde tariefstelsel, hetgeen in vele gevallen zal leiden tot een hogere belastingdruk in vergelijking met de situatie van vóór 1 januari 2024.
Wel is het zo dat het Grondwettelijk Hof heeft beslist om deze hervorming te vernietigen in de mate waarin bepaalde sectoren (zoals de zorgsector) werden bevoordeeld door middel van een verlaagde belastbare grondslag. Omdat het Grondwettelijk Hof heeft beslist om de gevolgen van de vernietiging te handhaven (of dus: behouden), zullen deze sectoren de sinds 2024 genoten belastingbesparing (die nu onwettig blijkt) niet moeten terugbetalen. Daarnaast zullen deze sectoren ook nog voor het jaar 2026 kunnen genieten van de gunstregeling.
Het is nu aan de wetgever om tegen uiterlijk 31 december 2026 een nieuwe regeling aan te nemen. De precieze invulling hiervan blijft voorlopig onduidelijk. Hoewel het arrest ruimte laat voor een uitgebreidere gunstregeling die meer sectoren omvat, schuilt hierin het risico op een nieuwe ongrondwettigheid. Als alternatief kan de wetgever er ook voor kiezen om de bestaande gunstregeling te beperken of zelfs volledig af te schaffen.
Doorheen de jaren heeft DVDTAXLAW een uitgebreide expertise opgebouwd in het adviseren (en verdedigen) van vzw’s en private stichtingen inzake hun verplichtingen met betrekking tot de patrimoniumtaks.
Heeft u verdere vragen over de gevolgen van dit arrest of andere specifieke vragen over deze bijzondere belastingheffing? Neem gerust contact op.
[1] Zie de Wet van 28 december 2023 “houdende diverse fiscale bepalingen, BS 29 december 2023.
[2] Artikel 19 van de wet van 28 december 2023 vervangt artikel 152 van het Wetboet der successierechten
[3] Art. 150 W.Succ.
[4] Artikel 150, lid 2 W.Succ.
[5] Het gaat dan bv. om een VZW die niet zelf een ziekenhuis uitbaat, maar die wel over gebouwen beschikt die zij ter beschikking stelt van een ziekenhuis.
[6] Parl. St. Kamer, 2023-2024, DOC 55-3607/001, pp. 13-14
[7] Parl. St. Kamer, 2023- 2024, DOC 55-3607/009, pp. 2-4; DOC 55-3607/014, p. 6
[8] Parl. St. Kamer, 2023-2024, DOC 55-3607/014, pp. 2-3; Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3607/016, p. 24
[9] Parl. St. Kamer, 2023-2024, DOC 55- 3607/014, p. 4; DOC 55-3607/016, p. 25

