Kaaimantaks 2.1 wordt gedeeltelijk vernietigd door Grondwettelijk Hof: draagwijdte en gevolgen

Bij arrest van 18 september 2025 (nr. 117/2025) heeft het Grondwettelijk Hof zich uitgesproken over verschillende venietigingsberoepen die werden ingesteld tegen de meest recente hervorming van de kaaimantaks (de zgn. kaaimantaks 2.1). Door het Grondwettelijk Hof werd beslist om de doorgevoerde aanpassingen (verstrengingen) op vier afzonderlijke punten te vernietigen. Voor het overige werd door het Grondwettelijk Hof beslist om het vernietigingsberoep af te wijzen. Aan de hand van dit nieuwsbericht hadden wij u graag ingelicht over de draagwijdte van dit arrest en de gevolgen voor de praktijk.

1. Wat is de kaaimantaks 2.1?

De kaaimantaks is van toepassing sinds inkomstenjaar 2015. Deze belasting geldt meer specifiek wanneer een Belgische belastingplichtige kwalificeert als de oprichter of de begunstigde van een zgn. “juridische constructie”. De wetgever definieert drie types van juridische constructies:

  • Een constructie zonder rechtspersoonlijkheid van fiduciaire aard, zoals bv. een Angelsaksische trust (type 1), of
  • Een niet of laagbelaste vennootschap (tarief van minder dan 15% berekend naar Belgische maatstaven) (type 2), of
  • Een structuur van type 1 of type 2 verpakt als een verzekering (type 3).

De kaaimantaks bestaat in essentie uit twee verschillende aspecten:

  • Het eerste aspect van de kaaimantaks betreft een doorkijkbelasting in de personen- en de rechtspersonenbelasting (transparante taxatie).
    Daardoor worden sedert 2015 de inkomsten van juridische constructies fiscaal toegerekend aan de oprichters, alsof zij die inkomsten zelf rechtstreeks hebben verkregen.
  • Het tweede aspect is de belasting bij uitkering van vermogen door een juridische constructie aan een begunstigde.
    Deze uitkering wordt belast als dividend, tenzij kan worden aangetoond dat ze bestaat uit inkomsten die in België reeds hun belastingregime hebben ondergaan ofwel uit door de oprichter ingebracht vermogen (sedert 2018 met toepassing van de zgn. anterioriteitsregel).

De kaaimantaks werd in het leven geroepen bij Programmawet van 10 augustus 2025 (de kaaimantaks 1.0). Twee jaar later, bij Programmawet van 25 december 2017, werden er een eerste reeks aanpassingen doorgevoerd aan dit stelsel (de zgn. kaaimantaks 2.0).

Bij Programmawet van 22 december 2023 heeft de wetgever de kaaimantaks nogmaals verder aangescherpt met ingang van 1 januari 2024 (de zgn. kaaimantaks 2.1). Samenvattend werden de volgende aanpassingen doorgevoerd:

  • De invoering van een weerlegbaar vermoeden dat de persoon die in het UBO-register is vermeld als begunstigde, kwalificeert als oprichter van de juridische constructie,
  • De invoering van de regel dat de inkomsten van een juridische constructie niet worden geacht hun belastingregime te hebben ondergaan wanneer zij buiten het toepassingsgebied van het WIB vallen of indien ze zijn vrijgesteld (exemption vaut impôt-regel),
  • De striktere afbakening van de substance-uitsluiting (in geval van een “wezenlijke economische activiteit”),
  • Het vervangen van het begrip “moederconstructie” door het begrip “tussenconstructie”,
  • De kwalificatie als juridische constructie van een “fonds dédié” waarvan de rechten voor meer dan 50 % door één persoon, of meerdere met elkaar verbonden personen, worden aangehouden,
  • De invoering van een exitheffing (fictieve dividenduitkering) bij emigratie van de oprichter,
  • De uitbreiding van de aangifteverplichtingen ten laste van de oprichter van de juridische constructie (met o.a. de wettelijk verplichte bijlage 276 CJC).

In de zomer van 2024 hebben enkele belastingplichtigen tegen deze laatste aanpassingen van de kaaimantaks een vernietigingsberoep ingediend bij het Grondwettelijk Hof. Het is over dit vernietigingsberoep dat het Grondwettelijk Hof zich recent heeft uitgesproken, en heeft beslist tot een gedeeltelijke vernietiging.

2. Welke bepalingen werden vernietigd door het Grondwettelijk Hof?

2.1. Substance-uitsluiting: vernietiging van de beperking tot een activiteit die bestaat uit “het aanbieden van goederen en diensten op een bepaalde markt”

Met de Programmawet van 22 december 2023 werd de zgn. substance-uitsluiting aangescherpt. Op grond van deze uitsluiting kan de oprichter van een juridische constructie ontsnappen aan de transparante taxatie indien wordt aangetoond dat de juridische constructie effectief een economische activiteit ontwikkelt en over voldoende “substantie” beschikt in het buitenland.

In de door de Programmawet hervormde regeling vereiste de toepassing van de substance-uitsluiting dat cumulatief werd voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • de juridische constructie is gevestigd in een Staat waarmee België een dubbelbelastingverdrag heeft afgesloten, of een Staat waarmee fiscale inlichtingen worden uitgewisseld,
  • de juridische constructie moet “een wezenlijke economische activiteit” uitoefenen, die wordt ondersteund door “personeel, uitrusting, activa en gebouwen” en moet “haar inkomsten in hoofdzaak hieruit” behalen, en
  • de economische activiteit moet bestaan in “het aanbieden van goederen of diensten op een bepaalde markt”.

Het Grondwettelijk Hof heeft zich specifiek uitgesproken over deze laatste voorwaarde (die als nieuwigheid werd ingevoerd middels de getoetste Programmawet van 22 december 2023).

Volgens het Grondwettelijk Hof is het, in de context van de kaaimantaks, niet toegestaan om het begrip “economische activiteit” te beperken tot het door de betrokken juridische constructie op een bepaalde markt aanbieden van goederen of diensten. Het feit dat de juridische constructie louter activa beheert, volstaat op zich immers niet om aan te tonen dat er sprake zou zijn van een “volstrekt kunstmatige constructie”.

De belastingplichtige moet met andere woorden de gelegenheid krijgen om aan de belastingadministratie, onder toezicht van de bevoegde rechter, aan te tonen dat de juridische constructie geen volstrekt kunstmatige constructie is zonder enig verband met de economische realiteit.

Het Hof beslist daarom om artikel 5/1, §3, lid 2 WIB te vernietigen in zoverre de kwalificerende “economische activiteit” verplicht zou moeten bestaan in “het aanbieden van goederen of diensten op een bepaalde markt”.

2.2. Exitheffing: beperking tot de niet-uitgekeerde winst die werd gerealiseerd tijdens de Belgische periode

Met de Programmawet van 22 december 2023 werd een exitheffing ingevoerd voor de volgende situaties:

  • de overdracht van de fiscale woonplaats van de oprichter naar het buitenland, of
  • de overdracht van de zetel van fortuin van de juridische constructie naar het buitenland, of
  • de inbreng van economische rechten, aandelen/participaties of activa van de juridische constructie in een andere juridische constructie of rechtspersoon, of de overdracht naar een andere Staat of rechtsgebied dan België.

Indien één van deze situaties zich voordoet, wordt de oprichter geacht een (fictief) dividend te ontvangen ten belope van de “niet uitgekeerde winst” (nieuw artikel 18, lid 1, 3°/1 WIB).

In eerste instantie ziet het Grondwettelijk Hof geen juridische problemen in deze exitheffing. Zo acht het Hof dit o.a. redelijk verantwoord, gelet op:

  • het feit dat de oprichter aan deze exitheffing kan ontsnappen door aan te tonen dat de juridische constructie een wezenlijke economische activiteit uitoefent (en dus geen volstrekt kunstmatig constructie is),
  • het doel van deze heffing dat erin bestaat om belastingfraude en -ontwijking te bestrijden, alsook een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te waarborgen, en
  • het feit dat de belastingplichtige kan kiezen voor een gespreide betaling van de heffing (in de hypothese waarin de juridische constructie is gevestigd binnen de EER).

In tweede instantie stelt het Hof echter vast dat deze exitheffing – gelet op de huidige wijze van formulering – ook die niet-uitgekeerde winst zou kunnen belasten die door de juridische constructie werd opgebouwd toen de oprichter nog niet kwalificeerde als Belgisch rijksinwoner.

In deze laatste mate kan de bedoeling om (Belgische) belastingfraude en -ontwijking tegen te gaan en een evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheid evident niet verantwoorden waarom de exitheffing ook op dit gedeelte van de niet-uitgekeerde winst zou worden ontheven. In deze mate gaat de exitheffing dus verder dan noodzakelijk.

Het Grondwettelijk Hof beslist daarom om de regeling inzake de exitheffing te vernietigen, “maar enkel in de mate waarin het tot gevolg heeft dat niet-uitgekeerde winst van een juridische constructie die door die constructie is gerealiseerd toen de [oprichter], nog niet, [kwalificeerde als Belgisch rijksinwoner]”.

Voortaan ontsnapt het gedeelte van de niet-uitgekeerde winst die werd opgebouwd tijdens de periode waarin de oprichter niet kwalificeerde als Belgisch rijksinwoner aldus aan de exitheffing.

2.3. Combinatie CFC en kaaimantaks: ook voor buitenlandse CFC

Op grond van artikel 5/1, §3, lid 1, c) WIB is de doorkijkbelasting (in de PB of de RPB) niet van toepassing wanneer de inkomsten van de juridische constructie “in toepassing van artikel 185/2 WIB [reeds worden belast] in hoofde van een binnenlandse vennootschap”. Bedoeld wordt de Belgische CFC-regeling, die – eenvoudig gesteld – inhoudt dat een controlerende Belgische vennootschap belastbaar is op welbepaalde niet-uitgekeerde “passieve inkomsten” van een buitenlandse vennootschap die onderworpen is aan geen of een te lage belasting (een CFC).

Het Grondwettelijk Hof beslist dat de beperking van deze vrijstelling tot die inkomsten die reeds zijn belast op basis van de Belgische CFC-wetgeving niet redelijk is verantwoord. Ongeacht of de tussenconstructie een Belgische vennootschap is dan wel in een andere EU-lidstaat is gevestigd, worden de inkomsten van de juridische constructie immers daadwerkelijk belast, zodat het niet langer gaat om een onbelast zwevend vermogen zoals bedoeld in de kaaimantaks.

Artikel 5/1, §3, eerste lid, c) WIB wordt daarom vernietigd in zoverre niet ook kan worden ontkomen aan een transparante taxatie wanneer wordt aangetoond dat de niet-uitgekeerde winst reeds werd belast in hoofde van een buitenlandse vennootschap in toepassing van een buitenlandse CFC-regeling die analoog is aan art. 185/2 WIB.

2.4. “Fonds dédiés”: tegenbewijs moet mogelijk zijn

Instellingen voor collectieve belegging (ICB’s) worden in beginsel niet geacht een “juridische constructie” te zijn in de zin van de kaaimantaks. De ICB ’s waarvan de rechten worden aangehouden door één persoon of door meerdere met elkaar verbonden personen, genieten die uitsluiting evenwel niet, aangezien de wetgever dit kwalificeert als abnormaal gebruik van de figuur van de ICB (in de praktijk spreekt men van “fonds dédiés”).

Als reactie op de praktijk waarbij men aan de kaaimantaks kon ontsnappen door aan een derde, een “stroman”, een minieme deelneming toe te kennen in een ICB die in werkelijkheid een “fonds dédié” was, heeft de wetgever deze uitzondering sinds 2024 geherfomuleerd. De uitzondering op de regel dat een ICB in beginsel niet kwalificeert als een “juridische constructie”, heeft het nu over ICB’s waarvan de rechten “voor meer dan 50 % door één persoon of meerdere met elkaar verbonden personen worden aangehouden”.

Met andere woorden: waar voorheen enkel die ICB’s kwalificeerden als juridische constructie wanneer 100% van de rechten in handen waren van één persoon (of met elkaar verbonden personen), heeft de Programmawet van 22 december 2023 dit kwantitatief criterium verstrengd naar 50% van de rechten. De praktijk waarbij aan een derde (de zgn. “stroman”) een beperkt percentage (bv. 1%) werd toegekend teneinde te kunnen ontsnappen aan de kaaimantaks, werd hiermee dus voorkomen.

Op zich ziet het Grondwettelijk Hof geen problemen in de geherformuleerde uitsluiting.

Het Hof heeft daarentegen wel een probleem met het absoluut karakter van deze uitsluiting. Zo vindt het Grondwettelijk Hof het onevenredig om de drempel waarboven een ICB aan de kaaimantaks is onderworpen, vast te stellen op 50 %, “zonder dat de oprichter het tegenbewijs kan leveren [van misbruik]”.

Artikel 2, §1, 13/1, lid 2 WIB wordt bijgevolg vernietigd in zoverre het de betrokken belastingplichtige niet toestaat het bewijs te leveren dat het feit dat een derde voor minder dan 50 % in een ICB participeert, niet op een louter fiscaal motief berust, en dat de betrokken ICB bijgevolg geen juridische constructie of tussenconstructie is.

3. Conclusie

Op 18 september 2025 heeft het Grondwettelijk Hof de kaaimantaks 2.1 op vier afzonderlijke aspecten vernietigd.

In bepaalde dossiers zal dit dus een welgekomen verlichting met zich meebrengen voor Belgische belastingplichtigen die kwalificeren als een oprichter of begunstigde van buitenlandse juridische constructies. Concreet wordt het mogelijk om in een aantal gevallen alsnog aan de kaaimantaks te ontsnappen of de toepassing ervan te temperen door het leveren van tegenbewijs of dankzij een beperktere reikwijdte van de wet.

Tegelijkertijd blijft voorzichtigheid geboden: de kaaimantaks 2.1 is in grote lijnen overeind gebleven, zodat het proactief naleven van de aangifteplichten en het toetsen van juridische constructies aan de (aangepaste) regelgeving essentieel blijft om fiscale verrassingen en geschillen te voorkomen.

Ons kantoor begeleidt al jaren vermogende particulieren en family offices in deze complexe materie. Wenst u te weten welke impact dit arrest concreet heeft op uw situatie? Of heeft u andere vragen omtrent de toepassing van de kaaimantaks? Neem gerust contact op met één van onze fiscale experten.

 

 

 

 

 

 

 

 

Doolaege, Verbist & De Meyere BV
Koning Albertlaan 165
9000 Gent
BE 0647.999.788

+32 (0) 9 242 80 10
info@dvdtaxlaw.be