studiemiddag: BTW voor advocaten, 10 jaar na invoering van de btw-plicht: een update
Op dinsdag 31 maart 2026 organiseert de Vlaamse Conferentie der balie van Gent een studiemiddag over de BTW-plicht voor advocaten. …
In een eerder nieuwsbericht[1] lichtten we reeds het verhoogde risico toe voor vzw’s en non-profitorganisaties om bij een fiscale controle te worden onderworpen aan de vennootschapsbelasting.
Bij uitbreiding bericht de media recenter over dezelfde discussie in hoofde van de ziekenfondsen en meer specifiek de aanverwante entiteiten die hospitalisatieverzekeringen op de markt brengen en waar zich de vraag zou stellen of deze entiteiten terecht onderworpen worden aan de rechtspersonenbelasting of dat zij, zoals andere verzekeringsondernemingen, dienen te worden onderworpen aan vennootschapsbelasting.
Naast de implicaties van een onderworpenheid aan de vennootschapsbelasting dienen bepaalde van de geviseerde vzw’s en non-profit organisaties zich tevens de vraag te stellen of er nog toepassing kan worden gemaakt van de vrijstellingen op vlak van btw, zoals bepaald in artikel 44 WBTW.
Overeenkomstig artikel 4, § 1 Btw-Wetboek is een belastingplichtige eenieder die in de uitoefening van een economische activiteit geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten verricht die in dit wetboek zijn omschreven, ongeacht op welke plaats de economische activiteit wordt uitgeoefend.
Artikel 2 WBTW bepaalt dat de leveringen van goederen en de diensten die door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht, aan de belasting zijn onderworpen wanneer ze in België plaatsvinden. Zodoende zal een btw-plichtige btw moeten afdragen op de inkomsten die hij ontvangt als tegenprestatie voor zijn leveringen van goederen of diensten.
Rekening houdende met deze artikelen kwalificeert een vzw (en overigens ook de meeste andere non-profitorganisaties) in principe dan ook als een btw-belastingplichtig voor alle door haar verstrekte diensten.
Deze diensten kunnen evenwel vrijgesteld worden van btw op grond van bepaalde vrijstellingen als voorzien in artikel 44, § 2 WBTW.
Er kan hierbij gedacht worden aan de exploitanten van sportinrichtingen, de exploitanten van musea, monumenten, natuurmonumenten, plantentuinen en dierentuinen, de diensten van de verhuur van boeken en tijdschriften, van muziekpartituren, grammofoonplaten, ….
De ingeroepen btw-vrijstellingen, die steeds beperkend moet worden geïnterpreteerd, voorzien expliciet in de voorwaarde dat de exploitanten en inrichtingen instellingen zijn die geen winstoogmerk hebben en waarbij de ontvangsten uit de vrijgestelde werkzaamheden uitsluitend worden gebruikt tot dekking van de kosten ervan.
Met de nieuwe definitie van het Wetboek Vennootschappen en Verenigingen is het vzw’s wel toegelaten om winstoogmerk te hebben, waar dat voorheen niet het geval was. Er geldt enkel nog een winstuitkeringsverbod, maar dus geen verbod op winstoogmerk.
Hoewel artikel 44 §2 WBTW niet werd gewijzigd, is door de inwerkingtreding van het nieuwe WVV de invulling van de voorwaarden van de vrijstelling wel degelijk veranderd, minstens is er een verhoogd risico ontstaan.
Door de inwerkingtreding van het WVV houdt het feit van een vzw te zijn, immers niet automatisch in dat de entiteit geen winstoogmerk zou mogen hebben.
Een andere voorwaarde om te voldoen aan bepaalde vrijstellingen van artikel 44, § 2 WBTW is dat de ontvangsten uit de vrijgestelde werkzaamheden uitsluitend mogen worden gebruikt tot dekking van de kosten ervan.
Over deze voorwaarde – dat naast het ontbreken van winstoogmerk, de uit de vrijgestelde activiteit verkregen ontvangsten of inkomsten uitsluitend gebruikt moeten worden om de kosten ervan te dekken, verstrekte de minister van Financiën de volgende precisering: “Om na te gaan of die tweede voorwaarde vervuld is, moet m.b.t. de voor vrijstelling vatbare handeling, door een boekhoudkundige berekening een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds de uitgaven (zelfs indien deze gesubsidieerd worden) nodig voor de uitoefening van de handeling en anderzijds de daaruit voortvloeiende ontvangsten. Indien de ontvangsten groter zijn dan de uitgaven, moet de vrijstelling verworpen worden. Deze boekhoudkundige beoordeling, die niet mag worden beïnvloed door de resultaten van een afzonderlijke handeling, moet over verscheidene jaren lopen tijdens dewelke winsten en verliezen elkaar kunnen compenseren. Indien het een pas opgerichte inrichting betreft, houdt de administratie rekening met de oogmerken van de exploitanten inzake rentabiliteit, de exploitatievooruitzichten en met alle andere elementen die een invloed kunnen hebben op het financiële aspect van de handelingen.”
Dit impliceert dat vele andere activiteiten, zoals bijvoorbeeld recepties, bridgeclub, lezingen, muzikale avonden, workshops, tentoonstellingen, wijn- en whiskyproeverijen, etc) niet kunnen worden gefinancierd met de lidgelden van de vzw.
Ook het aanleggen van een financiële buffer door middel van de uitbouw van economische activiteiten met winstoogmerk voor toekomstige investeringen kan ter zake op kritiek stuiten.
De strenge toepassing van deze voorwaarde werd bevestigd door het hof van beroep te Antwerpen in haar arrest van 11 december 2023:
“Er blijkt uit de voorliggende gegevens niet dat de ontvangsten van de exploitatie uitsluitend gebruikt zijn om de kosten te dekken zoals artikel 44, § 2, 3° Btw-Wetboek vereist. Geenszins blijkt dat de overschotten met betrekking tot het eerste boekjaar daadwerkelijk werden/zullen worden aangewend ten behoeve van de vrijgestelde handelingen. Hieromtrent wordt door eiseres in hoger beroep geen enkele concrete toelichting verschaft. Nochtans draagt zij de bewijslast van het voldaan zijn aan deze voorwaarde. Loutere beweringen dienaangaande zijn onvoldoende. Het voorleggen van de interne jaarrekening met betrekking tot het eerste boekjaar waaruit blijkt dat er sprake is van een bedrag van 11.070,50 EUR aan over te dragen winst, toont niet aan dat dit bedrag werd of zal worden aangewend ten behoeve van de vrijgestelde handelingen.”[2]
Samen met de tendens dat de fiscale administratie steeds meer vzw’s onderwerpt aan de vennootschapsbelasting kan worden vastgesteld dat bijvoorbeeld in de sportsector steeds meer entiteiten hun activiteiten organiseren onder de vorm van een nv of bv en de vzw-structuur enkel behouden blijft voor de (eerder) beperkte belangeloze doelstellingen.
Voor bestaande verenigingen lijkt er in vele gevallen dan ook een noodzaak te ontstaan om zich te beraden over een eventuele omvorming naar een (meer) commerciële entiteit door de stijgende professionalisering en de strenge houding van de administratie.
Bovendien moet worden geconcludeerd dat dat de onderwerping aan de vennootschapsbelasting en de btw-plicht intrinsiek verbonden zijn aan elkaar.
VANDEWEYER T. en BARTHELS L schreven hierover[3]:
“Merk ook op dat een vzw niet te licht mag omspringen met een onderwerping aan de vennootschapsbelasting, ook al zou een onderwerping aan de vennootschapsbelasting in eerste instantie een beperkte impact hebben (bv. wegens afschrijvingen of een break-even activiteit). De btw-administratie zal in de praktijk immers de onderwerping aan de vennootschapsbelasting aangrijpen om te stellen dat de vzw ook btw-plichtig is. ”
Hoewel de discussie reeds enige tijd aan de gang is, zal de verhoogde media-aandacht met zich meebrengen dat steeds meer vzw’s en non-profit entiteiten geconfronteerd worden met fiscale controles.
In de gegeven omstandigheden lijkt het dan ook raadzaam om een risicoanalyse te laten maken zodat eventueel kan worden besloten tot een herstructurering of een andere aanpak.
In hoofde van de bestuurders van deze entiteiten is een rechtszekere fiscale situatie een must.
Immers is de entiteit van een vzw in beginsel niet afgestemd om te worden onderworpen aan de vennootschapsbelasting. Een retroactieve toepassing van vennootschapsbelasting zal vaak ook een financiële impact hebben. Een pro-actieve aanpak kan tot gevolg hebben dat rekening wordt gehouden met de impact van een onderwerping aan de vennootschapsbelasting. Het eventuele verlies van btw-vrijstellingen zal kostprijsverhogend werken nu vaak de vele leden van de vzw’s natuurlijke personen betreffen en de overheid een stijging van de btw-tarieven heeft aangekondigd. Doch ook op dit vlak kunnen er opportuniteiten ontstaan door tijdig te handelen.
[1] Fiscus controleert vzw’s: wanneer wordt een vzw onderworpen aan vennootschapsbelasting? | DVDTAXLAW
[2] Antwerpen 11 december 2023, TFR 2024, afl. 600
[3] VANDEWEYER, T., BARTHELS, L., Fiscale aandachtspunten voor private vzw’s met commerciële (neven)activiteiten, Fisc.Act. 2023, deel 1: afl. 36, 14;
DVDTAXLAW is een gespecialiseerd fiscaal advocatenkantoor met ruime ervaring en doorgedreven expertise in de non-profitsector.
Het kantoor adviseert vzw’s en andere non-profit entiteiten inzake het eventueel risico op onderwerping aan de vennootschapsbelasting en de impact inzake BTW. Daarnaast begeleidt het kantoor deze entiteiten naar een rechtszekere oplossing voor de toekomst doch met aandacht voor de eigenheid van de vzw’s.
Wordt u geconfronteerd met een omzetting naar de vennootschapsbelasting, een betwisting inzake de toepassing van de vrijstelling inzake BTW of wenst u een analyse van uw risico’s op dat vlak, dan bekijken wij graag uw dossier.