In een arrest van 2 april 2026 (AR F.23.0087.N) oordeelt het Hof van Cassatie in voltallige zitting dat er inzake inkomstenbelastingen sprake is van een inbreuk die aanleiding kan geven tot een belastingverhoging van zodra de aangiftetermijn verstreken is. Volgens het Hof doet een niet-aangifte in de zin van art. 444 WIB’92 (zoals van toepassing vóór de wet van 30 juni 2017) zich voor zowel in geval dat geen aangifte wordt ingediend als in geval van laattijdige indiening van de aangifte. Het Hof van Cassatie oordeelt dus dat een laattijdige aangifte te beschouwen is als een niet-aangifte, dit in afwijking van eerdere rechtspraak van de Nederlandstalige afdeling van de eerste kamer.
In een vonnis van 1 april 2026 (rolnummer 25/460/A) besluit de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, dat het aftrekverbod van art. 206/3, § 1 WIB’92 op zich buiten toepassing dient te worden gelaten gelet op de disproportionaliteit ervan.
Art. 444 WIB’92 vóór de wet van 30 juni 2017 houdende maatregelen in de strijd tegen de fiscale fraude
Vóór de wet van 30 juni 2017 houdende maatregelen in de strijd tegen de fiscale fraude bepaalde art. 444 WIB’92 dat in geval van een niet-aangifte of in geval van onvolledige of onjuiste aangifte een belastingverhoging wordt opgelegd met betrekking tot de belasting verschuldigd op het niet aangegeven inkomstengedeelte.
In een arrest van 15 maart 2018 (AR F.17.0004.N) oordeelde de Nederlandstalige afdeling van de eerste kamer van het Hof van Cassatie dat op basis van deze bepaling geen belastingverhoging kan worden opgelegd wegens de laattijdige indiening van een aangifte. Dit werd later bevestigd door de Nederlandstalige afdeling van de eerste kamer van het Hof van Cassatie in een arrest van 25 september 2020 (AR F.18.0137.N).
Na de wet van 30 juni 2017
Met art. 6 van de wet van 30 juni 2017 werden de woorden ‘laattijdige overlegging van de aangifte’ toegevoegd aan het eerste lid van art. 444 WIB’92.
Na de inwerkingtreding van deze wetswijziging werd in art. 444 WIB’92 echter nog altijd enkel verwezen naar ‘het niet aangegeven inkomstengedeelte’. Bovendien verwezen art. 225 en 228 KB/WIB’92, die schalen voor belastingverhogingen bepalen, enkel naar ‘niet-aangifte’ en dus niet tevens naar ‘laattijdige aangifte’.
Art. 444 WIB’92 werd uiteindelijk pas volledig aangepast, met ook een verwijzing naar het ‘laattijdig aangegeven inkomstengedeelte’ in alle leden van het artikel, door art. 84 van de wet van 5 juli 2022 houdende diverse fiscale bepalingen. Daarenboven werd in de art. 225 en 228 KB/WIB’92 pas door de art. 1 en 2 van het KB van 13 september 2022 tot wijziging van de artikelen 225, 228, 229 en tot invoeging van een artikel 228/1 in het KB/WIB 92 ook verwezen naar een ‘laattijdige aangifte’. Deze laatstgenoemde wijzigingen traden in werking vanaf 23 oktober 2022.
Gelet op voormelde arresten van het Hof van Cassatie van 15 maart 2018 en 25 september 2020, waarin werd geoordeeld dat een laattijdige aangifte moet worden onderscheiden van een niet-aangifte, en gelet op het weinig doortastend ingrijpen van de wetgever, werd door belastingplichtigen die vóór 23 oktober 2022 een laattijdige aangifte hadden ingediend vaak betwist dat een belastingverhoging kon worden opgelegd. Dit leidde tot uitgebreide en verdeelde rechtspraak.
Bij dergelijke betwistingen steunde het standpunt van de administratie op het argument dat de wetswijzigingen, waarmee de woorden ‘laattijdige aangifte’ en ‘laattijdige aangegeven inkomstengedeelte’ werden toegevoegd aan art. 444 WIB’92, interpretatief karakter zouden hebben. Dat houdt in dat de geïnterpreteerde wet van meet af aan wordt geacht de betekenis te hebben die door de interpretatieve wet wordt verduidelijkt.
In een arrest van 3 december 2021 (AR F.21.0059.F) is de Franstalige afdeling van de eerste kamer van het Hof van Cassatie overigens afgeweken van het standpunt van de Nederlandstalige afdeling ingenomen in de arresten van 15 maart 2018 en 25 september 2020. Het betrof een zaak met betrekking tot het aanslagjaar 2014, waarin het Hof oordeelde dat er sprake is van een niet-aangifte in de zin van art. 444 WIB’92, zoals van toepassing in het voorliggende geval, zowel wanneer er geen aangifte werd ingediend als wanneer er een laattijdige aangifte werd ingediend. In dit arrest werd ook geoordeeld dat art. 6 van de wet van 1 juni 2017 de interpretatie van het begrip ‘niet-aangifte’ bevestigt.
Het spreekt voor zich dat de verdeeldheid tussen de Nederlandstalige afdeling en de Franstalige afdeling van de eerste kamer van het Hof van Cassatie de rechtszekerheid niet ten goede kwam.
Het arrest van het Hof van Cassatie van 2 april 2026
Met het arrest van 2 april 2026 (AR F.23.0087.N) lijkt het Hof van Cassatie nu wel een duidelijke richting te zijn ingeslagen. Het Hof heeft immers in voltallige zitting geoordeeld over een cassatieberoep tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 18 april 2023 (Gent 18 april 2023, Fiscoloog 2023, afl. 1805, 14). In dit arrest van 18 april 2023 volgde het hof van beroep voormeld administratief standpunt, met name dat art. 6 van de wet van 30 juni 2017 interpretatief karakter heeft. Het Hof van Cassatie verwerpt in het arrest van 2 april 2026 het cassatieberoep van de belastingplichtige. Het Hof oordeelt dat er sprake is van een inbreuk die aanleiding kan geven tot een belastingverhoging zodra de aangiftetermijn verstreken is. Volgens het Hof doet een niet-aangifte in de zin van art. 444 WIB’92 (zoals van toepassing vóór de wet van 30 juni 2017) zich voor zowel in geval dat geen aangifte wordt ingediend als in geval van laattijdige indiening van de aangifte. Art. 6 van de wet van 30 juni 2017 bevestigt volgens het Hof de uitlegging van het begrip niet-aangifte zoals het van met af aan uit de eerder in het arrest genoemde bepalingen (betreffende de indiening van de aangifte) voortvloeide. Het Hof meent dus dat dit artikel interpretatief karakter heeft.
Aangezien het arrest van 2 april 2026 in voltallige zitting werd gewezen, lijkt de discussie betreffende het opleggen van belastingverhogingen met betrekking tot laattijdige aangiftes en laattijdig aangegeven inkomstengedeeltes beslecht. Bovendien zijn art. 444 WIB’92 en art. 225 en 228 KB/WIB’92 zoals opgemerkt inmiddels volledig aangepast.
Dit betekent echter niet dat belastingverhogingen opgelegd met betrekking tot laattijdige aangiftes nooit voor betwisting vatbaar zouden zijn. Zo dient bij het opleggen ervan onder meer rekening te worden gehouden met het evenredigheidsbeginsel.
Het evenredigheidsbeginsel
Het evenredigheidsbeginsel houdt in essentie in dat een administratieve sanctie (zoals een belastingverhoging) met repressief karakter evenredig moet zijn met de begane inbreuk. Van belastingverhogingen inzake inkomstenbelastingen, ook belastingverhogingen van 10%, wordt algemeen aangenomen dat ze repressief karakter hebben.
In geval van een laattijdige aangifte kan bijvoorbeeld het gegeven dat de laattijdigheid beperkt is en dat de aanslag volledig overeenkomstig de aangifte werd gevestigd, wijzen op een disproportionaliteit van de belastingverhoging die door de administratie wordt opgelegd.
Er dient ook rekening te worden gehouden met de gevolgen van de sanctie. In de rechtspraak wordt in het kader van de proportionaliteitsbeoordeling bijvoorbeeld vaak rekening gehouden met de toepassing van de aftrekverbod van art. 206/3 WIB’92 (oud art. 207, zevende lid WIB’92), dat de toepassing van verschillende fiscale aftrekken en verliesverrekening verhindert wanneer, naar aanleiding van een bericht van wijziging of een kennisgeving van aanslag van ambtswege, een belastingverhoging van minstens 10% wordt opgelegd. De toepassing van dit aftrekverbod kan in veel gevallen leiden of minstens bijdragen tot een disproportionele sanctionering.
Het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 1 april 2026
Wat dit aftrekverbod betreft kan worden verwezen naar een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 1 april 2026 (Rb. Antwerpen (afdeling Antwerpen) 1 april 2016, rolnr. 25/460/A, www.taxwin.be). De rechtbank beoordeelde onder meer de proportionaliteit van de opgelegde belastingverhoging van 10% en het naar aanleiding daarvan toegepaste aftrekverbod van art. 206/3, § 1 WIB’92, waardoor een belastbare grondslag van 23.476,57 EUR, die normaal gezien volledig met verliezen zou zijn gecompenseerd, effectief werd belast. Aangezien de belastingverhoging van 10% slechts 626,53 EUR bedroeg en de belastingplichtige voor twee opeenvolgende aanslagjaren een laattijdige aangifte had ingediend, wordt deze belastingverhoging proportioneel bevonden door de rechtbank. Vervolgens oordeelt de rechtbank echter dat er toch sprake is van disproportionaliteit door de toepassing van het aftrekverbod. Daarbij wordt ook rekening gehouden met het gegeven dat de aangifte slechts één maand te laat werd ingediend en de feitelijke omstandigheden. De rechtbank besluit dat het aftrekverbod op zich buiten toepassing dient te worden gelaten en beval de ontheffing van de aanslag in de mate dat het aftrekverbod werd toegepast.
Hoewel dit in het voorliggende geval normaal gezien tot gevolg zal hebben dat er geen belastingverhoging van 10% effectief verschuldigd zal zijn (ten gevolge van de volledige compensatie van de belastbare grondslag met verliezen), is het merkwaardig dat rechtbank zich in deze zaak toespitst op het aftrekverbod op zich. In eerdere rechtspraak betreffende disproportionaliteit ten gevolge van de toepassing van het aftrekverbod wordt in voorkomend geval de belastingverhoging kwijtgescholden of verminderd (bijv. naar 9,90%), waardoor het aftrekverbod bijgevolg geen toepassing meer kan vinden.
Belastingplichtigen die bijstand wensen van ons kantoor met betrekking tot deze problematiek kunnen ons hiervoor steeds contacteren.