Het Grondwettelijk Hof heeft geoordeeld dat het 'recht op een fout' met terugwerkende kracht geldt voor alle lopende fiscale geschillen — ook voor aanslagen die vóór 29 juli 2025 werden gevestigd. Heeft u een lopende administratieve of gerechtelijke procedure tegen een belastingverhoging van 10% wegens een eerste, onopzettelijke vergissing? Dan moet de fiscus deze verhoging laten vallen, tenzij de administratie uw kwade trouw kan bewijzen. Dit geldt met onmiddellijke ingang voor alle aanslagen die nog niet definitief zijn.
Situering
Artikel 444 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen bepaalt dat de administratie bij het vaststellen van een inbreuk een belastingverhoging kan opleggen volgens een schaal gaande van 10% tot 200%.[1] Al sinds de invoering van deze schalen voorziet de wet in de mogelijkheid voor de fiscale administratie om af te zien van het minimum van 10% belastingverhoging in geval de belastingplichtige te goeder trouw heeft gehandeld.
De versoepeling door de Programmawet van 18 juli 2025
Naar aanleiding van een arrest van het Grondwettelijk Hof van 21 november 2024[2] werd artikel 444 WIB92 gewijzigd via de Programmawet van 18 juli 2025.[3] Artikel 38 van de Programmawet verving de facultatieve bevoegdheid van de administratie door een dwingende wettelijke norm. De gewijzigde tekst van artikel 444, derde en vierde lid, WIB 1992 luidt thans als volgt:
“Er wordt afgezien van een belastingverhoging bij een eerste te goeder trouw begane overtreding.
Goede trouw wordt, behoudens bewijs van het tegendeel, vermoed te bestaan bij de belastingplichtige die een eerste overtreding heeft begaan, behalve in geval van toepassing van artikel 351.”
Sinds deze wetswijziging is de fiscale administratie dus in principe verplicht om af te zien van de belastingverhoging van 10%. Wil ze deze toch toepassen, dan zal ze de kwade trouw in hoofde van de belastingplichtige moeten bewijzen. Alle belastingplichtigen krijgen zo het “recht op een fout”.
Uitzondering: ambtshalve aanslagen
Op dit vermoeden van goede trouw bestaat echter een belangrijke uitzondering. De wet sluit de toepassing ervan uitdrukkelijk uit wanneer de administratie een ambtshalve aanslag vestigt op grond van artikel 351 WIB92. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de belastingplichtige zijn aangifte niet tijdig heeft ingediend. In die situatie keert de bewijslast om: niet de administratie, maar de belastingplichtige zelf zal moeten aantonen dat hij te goeder trouw heeft gehandeld.
Temporele beperking
Ondanks het gunstige karakter van deze wetswijziging voerde artikel 39 van de Programmawet een strikte temporele grens in. De nieuwe regeling was uitsluitend van toepassing op aanslagen die werden ingekohierd vanaf de datum van bekendmaking van de wet, zijnde 29 juli 2025. Aanslagen van vóór die datum vielen dus buiten het toepassingsgebied van de versoepelde regeling — ook al was de onderliggende procedure nog niet afgerond.
De vernietiging door het Grondwettelijk Hof
In het arrest nr. 76/2026 van 18 juni 2026 stelt het Grondwettelijk Hof nu dat deze temporele beperking in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, zoals vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
Het Hof herhaalt om te beginnen dat de belastingverhoging van artikel 444 WIB92 een overheersend repressief karakter heeft. Het is bijgevolg een sanctie van strafrechtelijke aard in de zin van artikel 7 EVRM.
Overeenkomstig de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (onder meer het arrest Scoppola t. Italië) waarborgt artikel 7 EVRM impliciet ook het algemeen rechtsbeginsel van de retroactiviteit van de mildere strafwet (lex mitior). Dit principe is eveneens erkend als een algemeen rechtsbeginsel in de Belgische rechtsorde en het Unierecht.
Het Hof stelt vast dat artikel 38 van de Programmawet de regeling omtrent de belastingverhogingen onmiskenbaar heeft gemilderd. Vooreerst voorziet de wijziging erin dat voortaan wordt afgezien van de belastingverhoging bij een eerste overtreding die te goeder trouw is begaan. Het betreft hier een verplichting voor de fiscale administratie en niet langer een mogelijkheid. Daarnaast geldt een weerlegbaar vermoeden van goede trouw ten aanzien van de belastingplichtige. De bewijslast voor de administratie is dus verzwaard.
Gevolgen voor niet-definitieve aanslagen
Het Hof besluit dat het beginsel van de retroactiviteit van de mildere strafwet moet worden toegepast zolang er geen einduitspraak is gevallen. Het temporele toepassingsgebied van artikel 38 van de Programmawet wordt dus uitgebreid naar alle aanslagen die nog niet definitief zijn geworden en die nog aan het oordeel van een administratieve of rechterlijke instantie kunnen worden onderworpen — ongeacht of de onderliggende aanslag vóór dan wel na 29 juli 2025 werd gevestigd.
Concreet betekent dit dat de fiscale administratie in elke hangende procedure moet afzien van de belastingverhoging van 10% bij een eerste, te goeder trouw begane overtreding, tenzij zij de kwade trouw van de belastingplichtige kan bewijzen. De versoepelde regeling werkt dus terug tot vóór de inwerkingtreding van de Programmawet.
De uitzondering voor ambtshalve aanslagen (artikel 351 WIB92) blijft echter onverkort van toepassing op deze niet-definitieve aanslagen. Werd de aanslag waartegen u procedeert ambtshalve gevestigd — bijvoorbeeld omdat de aangifte niet tijdig werd ingediend — dan geldt het vermoeden van goede trouw niet, en zal u als belastingplichtige zelf moeten bewijzen dat u te goeder trouw heeft gehandeld. Het Hof verandert daar niets aan: de uitbreiding betreft enkel het temporele toepassingsgebied van de regeling, niet de inhoudelijke voorwaarden ervan.
Heeft u een lopend fiscaal geschil?
Bent u momenteel verwikkeld in een fiscale procedure waarin een belastingverhoging van 10% werd opgelegd voor een eerste, onopzettelijke fout? DVDTAXLAW heeft een uitgebreide expertise in het succesvol betwisten van belastingverhogingen. Heeft u vragen? Neem direct contact op met ons kantoor
[1] Art. 444 WIB92.
[2] GwH nr. 129/2024, 21 november 2024.
[3] BS 29 juli 2025.