De impact van de nieuwe meerwaardebelasting op de Belgische cryptobelegger

Vanaf 1 januari 2026 zullen particuliere beleggers in België een meerwaardebelasting van 10% betalen over de gerealiseerde meerwaarden op "financiële activa". Onder dit begrip vallen ook "crypto-activa" zoals bitcoin en ethereum. In het onderstaande nieuwsbericht maakten wij een grondige analyse van het hangende wetsontwerp en leggen wij op overzichtelijke wijze uit: (i) welke crypto-activa en transacties zullen vallen onder de nieuwe meerwaardebelasting, (ii) hoe de belastbare meerwaarde zal worden berekend, (iii) welke vrijstellingen er zullen gelden, (iv) hoe de belasting zal worden geëind, en (v) wat de praktische impact zal zijn op uw beleggingsstrategie en uw toekomstige aangiften in de personenbelasting.

In een eerder nieuwsbericht gaven wij u al een algemeen overzicht van de principes van de meerwaardebelasting die zal gelden vanaf 2026.

Ondertussen werd het wetsontwerp officieel ingediend bij de Kamer en kreeg het grote publiek meteen ook inzage in het advies van de Raad van State over de meerwaardetaks. Sindsdien vonden ook reeds vier hoorzittingen plaats in de Kamercommissie voor Financiën en Begroting [1].

In het onderstaande nieuwsbericht geven wij u hierbij graag ook een specifiek overzicht van deze nieuwe belasting op de private belegger in cryptomunten. Ook cryptoactiva worden immers uitdrukkelijk begrepen onder de algemene restcategorie van belastbare “financiële activa”.

Materieel toepassingsgebied

Met ingang van 1 januari 2026 zal er in het Belgisch fiscaal recht een veralgemeende meerwaardebelasting van 10% op “financiële activa” gelden.

Op grond van de tekst van het wetsontwerp is deze nieuwe meerwaardebelasting o.a. van toepassing op de overdracht ten bezwarende titel van “cryptoactiva” die worden gerealiseerd binnen het normaal beheer van privévermogen (beheer als een goede huisvader).

Wat valt onder het begrip “cryptoactiva”?

In het wetsontwerp wordt het begrip “cryptoactiva” gedefinieerd als “enige digitale weergave van een waarde of een recht die elektronisch kan worden overgedragen en opgeslagen, met gebruikmaking van distributed-ledger-technologie of vergelijkbare technologie met inbegrip van niet-verwisselbare tokens die voor betalings- of investeringsdoeleinden gebruikt kunnen worden” [2].

Het gaat om een bijzonder ruime definitie, die alle momenteel bestaande cryptomunten lijkt te omvatten. Ook meerwaarden die als gevolg van een positieve wisselkoersevolutie worden gerealiseerd bij de verkoop of omzetting van een niet aan de euro gekoppelde stablecoin (zoals USDT of USDC) zullen naar onze mening dus belastbaar zijn.

Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de Regering zich voor deze definitie heeft laten inspireren door de Europese MiCA-Verordening 2023/1114 [3].  In aanvulling op de definitie zoals gehanteerd in de MiCA-Verordening wordt de meerwaardebelasting daarnaast ook van toepassing verklaard op zgn. non-fungible tokens (NFT’s), maar blijkbaar enkel diegene die een betalings- of investeringsfunctie vervullen. Volgens de memorie van toelichting is dit laatste het geval wanneer de NFT op een marktplaats (bv. OpenSea) verhandeld kan worden [4]. De meerwaarden gerealiseerd bij de verkoop van populaire NFT-collecties (zoals CryptoPunks, Bored Ape Yacht Club en Pudgy Penguins) zullen dus ongetwijfeld worden belast in de nieuwe meerwaardebelasting. Hetzelfde lijkt ons ook te zullen gelden voor de eventuele meerwaarde die wordt gerealiseerd bij de verkoop van een domeinnaam verpakt in de vorm van een NFT (bv. een ENS-domain). De vraag is weliswaar of de hype rond NFT’s ooit zal terugkomen. Zowel de top als floor price [5] van de meeste NFT-collecties is sinds de hausse in 2021-2022 alleen nog maar gedaald.

Wanneer is er sprake van een overdracht ten bezwarende titel?

De nieuwe meerwaardebelasting zal van toepassing zijn op elke “overdracht onder bezwarende titel” van cryptoactiva. Het gaat om elke overdracht waarbij de overdrager een tegenwaarde ontvangt in ruil voor de cryptomunten die hij overdraagt (bv. een verkoop, een ruil of een inbreng in een vennootschap [6]).

Deze tegenwaarde hoeft niet noodzakelijk in euro te worden ontvangen om te kunnen leiden tot belastbaarheid. Zo wordt ook in de parlementaire voorbereiding verduidelijkt dat “elke vervreemding” van crypto wordt beoogd. De meerwaardetaks speelt dus niet alleen bij de verkoop van crypto voor euro. Zij is ook van toepassing bij omzettingen in een andere cryptomunt (swaps), of zelfs bij de aankoop van bepaalde goederen of diensten (bv. met een crypto-betaalkaart of bij een rechtstreekse peer to peer-betaling via bv. MetaMask). Wat de online aankopen betreft, geeft de Regering het expliciete voorbeeld van de aankoop van een pizza [7]. In de Belgische meerwaardebelasting geldt er (momenteel) ook geen de-minimis-vrijstelling op grond waarvan de met crypto gefaciliteerde aankoop, die een bepaald drempelbedrag niet overschrijdt, zou ontsnappen aan de meerwaardebelasting. De kleinste aankoop met crypto, kan er dus toe leiden dat een meerwaardebelasting is verschuldigd (met dien verstande dat er weliswaar een jaarlijkse vrijstelling bestaat voor de eerste te indexeren schrijf van 10.000 EUR, zie ook verder).

Enigszins overbodig, wordt in de parlementaire voorbereiding ook vermeld dat er geen sprake is van een belastbare realisatie wanneer een cryptomunt van de ene naar de andere wallet van dezelfde belastingplichtige wordt verstuurd [8]. Dit lijkt ons nogal evident.

Het feit dat de meerwaardebelasting enkel van toepassing is in geval van een overdracht ten bezwarende titel, heeft tot gevolg dat er geen meerwaardetaks verschuldigd is bij de schenking of vererving van cryptomunten [9]. In dit laatste geval is het nochtans zo dat, wanneer de begiftigde of de erfgenaam nadien overgaat tot verkoop van deze om niet verkregen cryptomunten (incl. swap of betaling van goederen of diensten), de gerealiseerde meerwaarde zal worden berekend op basis van de aankoopprijs die destijds werd betaald door de schenker of erflater [10].

Risico op belasting van 33% in geval van abnormaal beheer of speculatie blijft bestaan

De nieuwe meerwaardebelasting zal enkel van toepassing zijn op meerwaarden die buiten het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid en in het kader van normale verrichtingen van het beheer van een privévermogen, zijn verwezenlijkt.

In de hypothese waarin de verkoop niet kadert binnen de beroepswerkzaamheid van de belastingplichtige, loopt deze laatste dus nog steeds het risico om te worden onderworpen aan de reeds bestaande belasting van 33% indien de meerwaarde werd gerealiseerd in het kader van abnormaal beheer of speculatie [11].

Het onderscheid tussen een “normaal” of  “abnormaal” beheer valt niet eenvoudig te maken, en geeft in de praktijk vaak aanleiding tot discussie. Wat voor de ene normaal is, is dit niet noodzakelijkerwijze voor de andere. Dit kwalificatieprobleem speelt des te meer wanneer men te maken heeft met een relatief nieuw beleggingsactivum waarmee het grote publiek tot op heden nog onvoldoende vertrouwd is.

De kwalificatie als normaal beheer van privévermogen vereist dat de belastingplichtige belegt als een “goede huisvader”. Dit wil zeggen dat het moet gaan om transacties die een normaal en omzichtig persoon gewoonlijk zou stellen om zijn privévermogen te behouden of te doen aangroeien. Hierbij wordt in hoofdzaak rekening gehouden met:

  • het risico dat de belegger neemt ten aanzien van zijn privévermogen (geen onverantwoorde risico’s), en
  • De intensiteit van de beleggingsactiviteit (dit moet eerder passief zijn).

Inzake cryptomunten is algemeen geweten dat de Rulingdienst verschillende criteria naar voren schuift die bepalen of een cryptobelegger al dan niet kwalificeert als een goede huisvader. Bepaalde (voor de Rulingdienst) determinerende criteria worden nu uitdrukkelijk vermeld in de memorie van toelichting van het wetsontwerp. Teneinde het al dan niet abnormaal karakter van een investering in crypto te bepalen, wordt in het bijzonder verwezen naar: (i) het percentage van het roerende vermogen dat de belastingplichtige in cryptoactiva heeft geïnvesteerd, (ii) de beslissing van de belastingplichtige om al dan niet een beroep te doen op een lening voor de aankoop van cryptoactiva, (iii) de vaststelling dat de belastingplichtige een beroep doet op een geautomatiseerd proces of een software om cryptoactiva aan te kopen, en (iv) het aantal transacties dat de belastingplichtige verricht heeft [12].

Gezien de (binnenkort verplichte) aangifte van bepaalde crypto-meerwaarden tot gevolg zal hebben dat de fiscus een concreet aanknopingspunt krijgt om cryptobeleggers te onderwerpen aan een fiscale controle, valt te verwachten dat deze kwalificatiediscussies de komende jaren schering en inslag zullen worden. Dit wordt nog versterkt door de automatische internationale gegevensuitwisseling die sinds 1 januari 2026 in tal van landen van toepassing is, naar aanleiding van de omzetting van de DAC8-richtlijn binnen de Europese Unie en de implementatie van de CARF op OESO-niveau. Het zal dan uiteindelijk aan de rechtbanken zijn om de in de memorie van toelichting uitdrukkelijk aangehaalde criteria (en het daaraan toe te kennen gewicht) concreet in te vullen.

Hoe wordt de belastbare meerwaarde berekend?

Verkoopprijs min aanschaffingswaarde

De belastbare meerwaarde is gelijk aan het positieve verschil tussen de ontvangen verkoopprijs en de aanschaffingswaarde:

  • De verkoopprijs betreft de in geld, in effecten of in enige andere vorm voor de overdragen crypto ontvangen prijs of waarde,
  • De aanschaffingswaarde betreft de prijs of waarde waartegen de belastingplichtige of zijn rechtsvoorganger die financiële activa onder bezwarende titel heeft verkregen [13].

Ter berekening van de meerwaarde wordt enkel rekening gehouden met de euro-waarde op het moment van de aan- en verkoop [14]. Bij een swap (of omzetting) van cryptomunten zal de euro-aanschaffingswaarde van de omgezette cryptomunt dus moeten worden vergeleken met de euro-verkoopwaarde van de verkregen cryptomunt. In bepaalde gevallen zal dit er toe leiden dat er meerwaardebelasting zal zijn verschuldigd ook al ontvangt de cryptobelegger uiteindelijk minder crypto-eenheden terug dan het aantal dat hij initieel had betaald bij de aankoop [15].

Het is aan de belastingplichtige om de aanschaffingswaarde te bewijzen. Indien dit niet meer kan worden bewezen “op basis van bewijskrachtige gegevens” [16], zal de volledige verkoopprijs worden belast [17]. Voor de cryptobelegger is het vanaf 1 januari 2026 dus – nog meer dan voorheen – van belang om al zijn transacties goed bij te houden en te documenteren. Zo niet, dan riskeert hij niet alleen zijn cryptowinsten niet langer te kunnen repatriëren naar zijn (Belgische) bank, maar ook om te worden belast op een hogere waarde dan de in realiteit gerealiseerde meerwaarde.

In het geval waarin dezelfde cryptomunt op verschillende momenten werd aangekocht, en op een later moment slechts een deel hiervan wordt verkocht, moet de FIFO-methode (First-In-First-Out-methode) worden toegepast [18]. Dit betekent dat de eerst aangekochte eenheden van de cryptomunt worden geacht ook als eerste te worden verkocht. Dit principe is van belang voor een grote groep aan cryptobeleggers die de zgn. DCA-strategie toepassen. Dit acroniem staat voor Dollar Cost Averaging en duidt op een beleggingsstrategie waarbij periodiek vaste bedragen worden geïnvesteerd in crypto (veelal in dezelfde cryptomunt), los van de actuele marktprijs, met als doel de impact van prijsschommelingen te temperen. Indien deze cryptobelegger uiteindelijk beslist om slechts een deel van zijn alzo opgebouwde portefeuille te verkopen, dan zal hij dus in deze fase rekening moeten houden met de aanschaffingswaarde van zijn eerst verworven cryptomunten [19].

In de praktijk stelt zich de vraag op welk niveau de FIFO-methode moet worden toegepast: per afzonderlijke exchange of wallet, dan wel volgens een globale benadering waarbij alle identieke cryptoactiva worden beschouwd als één gezamenlijk geheel (ongeacht hun bewaarplaats). In het licht van het doel van deze voorrangsregel, lijkt het ons duidelijk dat de FIFO-methode per platform (of per publiek adres) moet worden toegepast. Zo staat in de memorie van toelichting vermeld dat deze verplichte aanrekeningswijze de bedoeling heeft om “de berekening van de belastbare basis te vergemakkelijken,  onnodige betwistingen tussen de belastingplichtige en de fiscus te vermijden en voorspelbaarheid en rechtszekerheid te bieden aan de belastingplichtige-investeerder”. In dit kader wordt ook bijkomend verwezen naar het vereenvoudigen van de berekening van de voorheffing door de Belgische tussenpersonen (zie ook hierna). In het licht van deze doelstellingen, lijkt de FIFO-methode dan ook per afzonderlijke wallet of exchange te moeten worden toegepast. Een globale benadering zou de berekening aanzienlijk verzwaren en zou de kans op fouten en discussies vergroten. Bovendien zou deze laatste methode de praktische toepassing van een eventuele bronheffing door tussenpersonen haast onmogelijk maken, aangezien deze doorgaans slechts zicht hebben op de activa die via hun eigen platform worden aangehouden en verhandeld. Voor crypto voorziet het wetsontwerp weliswaar niet in een systeem van bevrijdende voorheffing (zie hierna), maar de FIFO-regel geldt voor alle financiële activa.

In de parlementaire voorbereiding wordt verduidelijkt dat, indien de cryptomunten werden verkregen via airdrop [20], de waarde op het moment van toekenning wordt beschouwd als de aanschaffingswaarde [21]. Dit principe oogt logisch en redelijk, maar zal in de cryptowereld niet steeds gepast zijn. Zo kan worden gedacht aan de airdrop van een volledig nieuwe cryptomunt [22]. In dergelijke gevallen worden de tokens toegekend op een tijdstip waarop er – per definitie – nog geen functionerende markt bestaat, dan wel slechts sprake is van een uiterst beperkte liquiditeit. Dit impliceert dat de vaststelling van de aanschaffingswaarde in de praktijk problematisch kan zijn: zij zal hetzij op nul moeten worden bepaald (wanneer er nog geen enkele markt is), hetzij op een waarde die kunstmatig hoog of laag ligt als gevolg van kortstondige markteuforie of -pessimisme, en die bijgevolg onvoldoende representatief is voor de uiteindelijk door de markt aan deze munt toegekende waarde [23]. In vele gevallen zal de cryptobelegger er bovendien ook niet in slagen om als eerste zijn via airdrop verkregen cryptomunten te verkopen aan de op dat moment geldende prijs. Veelal zal hij deze cryptomunt maar kunnen verkopen op een later moment waarop de marktprijs al sterk kan gedaald of gestegen zijn. De vraag is natuurlijk hoe de wetgever dit waarderingsprobleem anders had kunnen oplossen. Uiteindelijk kan de momenteel gehanteerde waarderingsregel ook spelen in het voordeel van de belastingplichtige (nl. wanneer de eerste beursnotering veel hoger is dan de uiteindelijke marktprijs).

Hoewel de parlementaire voorbereiding dit niet behandelt, lijkt deze waardering volgens de waarde op het moment van toekenning ook te moeten worden doorgetrokken naar cryptomunten die werden verkregen uit mining [24] of staking [25]. In tegenstelling tot een cryptomunt die wordt verkregen uit een airdrop (hetgeen veelal belastingvrij is), zal een mining of staking reward op het moment van ontvangst – in vele gevallen – immers reeds belastbaar zijn onder een andere categorie dan de nieuwe meerwaardebelasting. In de regel wordt door de Rulingdienst immers het standpunt ingenomen dat de cryptomunten die worden verkregen via mining belastbaar zijn als beroepsinkomen [26]. Voor staking rewards wordt door de DVB dan weer klassiek het standpunt ingenomen dat deze op het moment van ontvangst belastbaar zijn als roerend inkomen (meer bepaald als interest) [27]. Het is dan ook logisch dat, wanneer de cryptobelegger nadien beslist tot verkoop van deze inkomsten (rewards), hij enkel meerwaardebelasting zal moeten betalen op de waardestijging ten opzichte van de grondslag waarop reeds belasting werd betaald op basis van een andere fiscale bepaling. Zo niet, dan zou eenzelfde opbrengst dubbel worden belast (eenmaal als roerende reward en andermaal als meerwaarde) . Een gelijkaardige redenering wordt door de wetgever trouwens ook gehanteerd ten aanzien van de financiële activa die worden verworven onder aandelen(optie)plannen. Ook daar is het gedeelte dat reeds (forfaitair) werd belast onder een andere kwalificatie (hier: als beroepsinkomen) niet nogmaals belastbaar onder de meerwaardebelasting. Enkel het verschil tussen de waarde op het moment van uitoefening/toekenning en de verkoopprijs is nl. belastbaar [28].

Kosten zijn niet aftrekbaar

In de parlementaire voorbereiding wordt verduidelijkt dat de meerwaarde op zichzelf wordt beschouwd als de “netto belastbare basis” [29]. Dit betekent dat geen enkele kost of belasting (ongeachte de aard) in aftrek mag worden gebracht. Kosten die werden aangegaan voor de verkrijging of verkoop zoals makelaarslonen of de kosten gemaakt met oog op waardering, kunnen dus niet in rekening worden gebracht [30]. Hetzelfde geldt voor de taks op de beursverrichtingen (TOB) en de effectentaks. Ook de bij schenking of vererving betaalde schenk- of erfbelasting lijkt hierdoor niet aftrekbaar [31].

Specifiek voor dit kostenelement kan inzake cryptomunten, naast de door handelsplatformen aangerekende transactiekosten (trading fees), onder meer worden gedacht aan netwerk- en transactiekosten (bv. gas fees op Ethereum), de omzettingskosten bij het overzetten van de ene blockchain naar de andere (bridge fees), alsook aan kosten die voortvloeien uit de gedwongen liquidatie van hefboom- of derivatenposities (liquidation fees). Ook deze kosten zijn niet aftrekbaar en zullen de facto dus moeten worden opgeteld bij het ontvangen bedrag ter berekening van de belastbare grondslag van de meerwaarde.

Voor de particuliere cryptobelegger lijkt het niet-aftrekbaar karakter van kosten in bepaalde gevallen problematisch. Zo bestaan er in de praktijk diverse situaties waarin de investeerder zijn cryptomunten van het ene op het andere moment volledig en definitief kan verliezen. Te denken valt onder meer aan diefstal (bijvoorbeeld als gevolg van phishing), of aan het faillissement van het gebruikte handelsplatform waarbij de belegger geen of slechts een beperkte claim in het faillissement overhoudt [32] (cryptomunten vallen niet onder enige vorm van publieke dekking zoals het Europees depositogarantiestelsel tot 100.000 EUR per bank). Ook door een eigen menselijke fout kan men zijn cryptomunten trouwens ineens kwijtspelen. Zo kan worden gedacht aan de situatie waarbij de belegger zijn cryptomunten per ongeluk verstuurt naar een onbestaand adres (bv. door een tikfout is één cijfer verkeerd). De verstuurde cryptomunten zijn dan definitief verloren. Er is geen enkele centrale (of faciliterende) partij die de cryptobelegger zijn munten kan terugbezorgen. In elk van de vermelde gevallen valt dit totaalverlies naar onze mening te kwalificeren als kost, die volgens de tekst van het wetsontwerp dus niet aftrekbaar zou zijn. Dit kan er in bepaalde omstandigheden dus toe leiden dat een cryptobelegger wordt belast op basis van een meerwaarde die hij van de ene op de andere dag niet langer heeft. Stel bijvoorbeeld dat de belegger een cryptomunt met een aanzienlijke meerwaarde verkoopt op dag 1. En op dag 2 gaat het platform waarop zijn cryptomunt werd verkocht failliet of wordt zijn account gehackt. De belegger is zijn cryptomunten of de euro-tegenwaarde van de ene op de andere dag (en dus tijdens hetzelfde belastbaar tijdperk) volledig kwijt. Toch zal de cryptobelegger worden belast op het nettobedrag van de meerwaarde, zonder deze kost te kunnen aftrekken. Dit lijkt ons een schending te vormen van het recht op eigendom in de zin van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM (kennelijk onevenredige last). Daarnaast kan ook worden gewezen op een arrest van het Grondwettelijk Hof van 21 september 2023 (nr. 124/2023). In dit arrest werd reeds geoordeeld dat het gelijkheidsbeginsel was geschonden omdat er in geval van een abnormale meerwaarde op aandelen niet was voorzien in een kostenaftrek, terwijl dit bij andere abnormale meerwaarden wel het geval is. De wetgever lijkt hier geen lessen uit te hebben getrokken.

Minderwaarden van hetzelfde belastingjaar zijn aftrekbaar, maar historische minderwaarden zijn uitgesloten

Voor minderwaarden is voorzien in een afzonderlijke regeling van beperkte aftrekbaarheid. Minderwaarden zijn met name wel aftrekbaar maar enkel van die meerwaarden die worden gerealiseerd binnen hetzelfde belastbaar tijdperk [33]. De wet voorziet dus niet in een overdraagbaarheid van verliezen wanneer er onvoldoende meerwaarden zijn om alle minderwaarden tegen af te zetten. Wel is het zo dat de aftrekbaarheid niet wordt beperkt tot de meerwaarden gerealiseerd op financiële activa van dezelfde aard (in dit geval op cryptoactiva) [34]. De op een cryptomunt gerealiseerde minderwaarde kan namelijk worden verrekend met elke  meerwaarde die tijdens datzelfde jaar wordt gerealiseerd op één van de activa die behoort tot de globale categorie van “financiële activa”. Dit betekent dat de belastingplichtige een gerealiseerde minderwaarde op crypto bijvoorbeeld ook zal kunnen afzetten tegen een tijdens datzelfde jaar gerealiseerde meerwaarde op aandelen of beleggingsgoud. Gelet op hun gelijkaardige fiscale behandeling onder de meerwaardetaks (zelfde tarief en grondslag), heeft de wetgever er bewust voor gekozen om de toerekening van minderwaarden niet te beperken tot financiële activa met dezelfde intrinsieke kenmerken [35].

In een markt die (historisch) wordt getypeerd door uitgesproken vierjaarlijkse cycli van bull- en bear markets, vormt de beperking van de aftrekbaarheid van minderwaarden tot hetzelfde belastbaar tijdperk een structureel nadeel voor de – vaak jongere – belegger die uitsluitend in cryptomunten investeert. Voor deze (jeugdige) cryptobelegger is het – vanuit fiscaal oogpunt – nog meer aanbevolen om een buy and hold-strategie te hanteren tijdens de periode waarin de volledige markt zich in een neerwaartse fase (downtrend) bevindt. Wanneer deze belegger fiscaal kwalificeert als een goede huisvader, is het fiscaal immers voordeliger om de minderwaarden pas te realiseren tijdens die goede jaren waarin zij kunnen worden afgezet tegen gerealiseerde meerwaarden op andere cryptomunten. Of dat een goede beleggingsstrategie is, is dan weer een andere vraag.

De wet omschrijft een minderwaarde als het negatieve verschil tussen de ontvangen verkoopprijs en de aanschaffingswaarde [36]. Voor cryptomunten die de belegger al in portefeuille had op 31 december 2025, wordt het aftrekbaar bedrag echter beperkt tot de waardedaling vanaf 1 januari 2026 [37]. Omdat de belastbaarheid van (normale) meerwaarden wordt beperkt tot de waardestijging vanaf 1 januari 2026 (zie ook hierna), wordt dus ook ter bepaling van het aftrekbaar bedrag van de (normale) minderwaarde vertrokken van het zgn. “fotomoment” [38].

In de wet staat – in navolging van het advies van de Raad van State – uitdrukkelijk vermeld dat minderwaarden kunnen worden bewezen “met alle middelen van gemeen recht (met uitzondering van de eed)”. Voor een klassieke effectenrekening zal, naast de gewone rekeningafschriften, bijvoorbeeld ook een schermafdruk uit de beleggingsapp als bewijs kunnen dienen. Voor cryptorekeningen lijkt het bewijs op basis van een uittreksel uit één van de vele crypto-taxcalculators (zoals bv. Koinly, Summ of CoinTracking) ook als bewijs te kunnen dienen (op voorwaarde dat de cryptobelegger de hiervoor gebruikte exportbestanden die worden gedownload op het handelsplatform [39] ter beschikking houdt van de fiscus).

Historische meerwaarden zijn vrijgesteld

Een belangrijke beperking op de meerwaardebelasting betreft de vrijstelling voor zgn. “historische meerwaarden” [40]. Deze vrijstelling houdt in dat bij de verkoop van cryptomunten die de cryptobelegger al in portefeuille had op 31 december 2025 (het zgn. “fotomoment”), enkel de waardestijging vanaf 1 januari 2026 zal worden belast aan 10%. Op deze manier wordt de waarde op 1 januari 2026 fiscaaltechnisch dus in principe gelijkgesteld met de in rekening te brengen aanschaffingswaarde. Wanneer bijvoorbeeld een belastingplichtige een bitcoin die hij in 2017 heeft aangekocht voor 3.000 EUR, en waarvan de (gemiddelde) waarde op 31 december 2025 (afgerond) 74.652 EUR bedroeg, op 2 januari 2026 verkoopt voor 77.170 EUR, dan zal de belastbare meerwaarde 2.518 EUR bedragen. Indien werd belegd als een goede huisvader, zal de historische meerwaarde ten belope van 74.170 EUR dus in haar geheel niet worden belast.

Het is aan de belastingplichtige om te bewijzen dat hij een bepaalde cryptomunt al in portefeuille had op 31 december 2025 én wat de waarde was op dat moment. Het bewijs van bezit lijkt ons het meest eenvoudig te kunnen worden bewezen aan de hand van een screenshot van de portefeuille op 31 december 2025. Op deze schermafdruk zal in principe ook meteen de verkoopwaarde van dat moment worden weergegeven. Voor wat betreft de waardering, stelt de wet dat voor publiek verhandelbare financiële activa moet worden gekeken naar “de laatste slotkoers van het jaar 2025” [41].   Vermits cryptomunten 24 op 24 en 7 op 7 verhandelbaar zijn, heeft dit strikt gezien tot gevolg dat de prijs op 31 december 2025 om 23u59 in aanmerking moet worden genomen. Op zich is dit voor cryptomunten niet zo problematisch, gezien er verschillende websites bestaan die de cryptoprijzen van nabij opvolgen [42]. Op basis van deze websites zal “de laatste slotkoers” (ev. afgerond op 5 minuten) dus ook jaren later nog eenvoudig kunnen worden teruggevonden.

In het wetsontwerp is voorzien in een bijzondere regeling voor het geval waarin de eigenlijke aankoopprijs hoger was dan de marktwaarde op 1 januari 2026 (en de belastingplichtige op 31 december 2025 m.a.w. een latent verlies had op één of meerdere van zijn eerder aangekochte cryptomunten). In dit geval kan de destijds betaalde prijs worden gebruikt ter berekening van de meerwaardebelasting. Het is dan wel opnieuw aan de belastingplichtige om deze hogere aankoopprijs te bewijzen. Indien de cryptomunt op verschillende momenten voorafgaand aan de inwerkingtreding van de meerwaardetaks werd (bij)gekocht, en dit telkenmale aan een hogere prijs dan de waarde op 31 december 2025, zal de gemiddelde (hogere) aankoopprijs in aanmerking worden genomen [43]. Dit betreft een uitdrukkelijke afwijking op het voormelde FIFO-principe dat geldt bij de verkoop van cryptomunten waarbij wordt gekeken naar de waarde op 1 januari 2026 of later. Voorts is deze afwijkende bepaling van de belastbare grondslag slechts tijdelijk, in die zin dat de werkelijke aanschaffingswaarde maar in aanmerking zal kunnen worden genomen indien de verkoop uiterlijk op 31 december 2030 plaatsvindt [44]. Indien de cryptomunten pas na deze uiterste datum worden verkocht, dan zal de meerwaarde hoe dan ook worden berekend op basis van de verkoopwaarde op 31 december 2025, ook al zou de belegger de betrokken cryptomunt voordien nog hebben aangekocht aan een hogere prijs.

De eerste schijf van 10.000 EUR (geïndexeerd bedrag voor aanslagjaar 2027) is vrijgesteld

Het wetsontwerp voorziet in een jaarlijkse voetvrijstelling ten belope van 10.000 EUR (geïndexeerd bedrag voor het aanslagjaar 2027) [45]. Indien de belastingplichtige de eerste (te indexeren) 1.000 EUR van de vrijstelling niet volledig kan gebruiken, kan het ongebruikte deel van de vrijstelling naar het volgende jaar worden overgedragen. Dit kan er maximaal toe leiden dat er een vrijstelling wordt genoten van 15.000 EUR per persoon (na verstrijken van een periode van 5 jaar) [46].

De vrijstelling ten bedrage van een eerste schrijf van (te indexeren) 10.000 EUR (of van max. 15.000 EUR) per jaar geldt voor de volledige restcategorie van “financiële activa”. Dit grensbedrag geldt dus niet per activaklasse afzonderlijk, maar vormt een absolute vrijstellingsgrens voor de som van alle netto gerealiseerde meerwaarden op cryptoactiva, klassieke financiële instrumenten, verzekeringsovereenkomsten en valuta of beleggingsgoud. De belegger die, naast crypto, ook belegt in aandelen, zal bij de invulling van de vrijstellingsschijf, dus rekening moeten houden met de som van alle meerwaarden gerealiseerd op beide activaklassen (desgevallend verminderd met de minderwaarden van datzelfde jaar).

Het is geen (onmiddellijke) oplossing om te verhuizen naar het buitenland

In bepaalde landen geldt er een gunstig(er) fiscaal stelsel voor de particuliere belegger die een meerwaarde realiseert op bepaalde financiële activa (waaronder cryptomunten). In Luxemburg geldt bijvoorbeeld al een vrijstelling van zodra de verkochte cryptomunt gedurende 6 maanden werd aangehouden in portefeuille [47]. In Duitsland is een gelijkaardige vrijstelling van toepassing van zodra de cryptomunt voor langer dan 12 maanden werd aangehouden [48]. Ook Dubai wordt in de praktijk vaak aangehaald als aantrekkelijke woonplaats voor particuliere cryptobeleggers, nu de Verenigde Arabische Emiraten geen personenbelasting kennen.

Als gevolg van de nieuwe meerwaardebelasting van 10% verdwijnt de tot nu toe bestaande mogelijkheid om in België een belastingvrije meerwaarde te realiseren in geval van normaal beheer. Er zal altijd (en minstens) een belasting van 10%  verschuldigd zijn bij realisatie van een meerwaarde op crypto. Afhankelijk van zijn persoonlijke situatie zou een particuliere cryptobelegger er daarom voor kunnen opteren om vanuit fiscale overwegingen te verhuizen naar het buitenland.

De wetgever is zich terdege bewust van deze mogelijke praktijk en heeft er daarom voor geopteerd om deze (op zich legale) techniek van belastingontwijking in zekere mate te blokkeren door te voorzien in een zgn. exit taks. Zo wordt in de wet bepaald dat een verhuis naar het buitenland wordt gelijkgesteld met een belastbare realisatie van de latente meerwaarden in portefeuille [49]. De fictieve meerwaarde waarover belasting wordt geheven, bestaat dan uit het verschil tussen de waarde van de cryptoportefeuille op het moment van emigratie en de aanschaffingswaarde ervan.

De exit belasting is nochtans niet meteen, en op termijn mogelijks zelfs niet, verschuldigd. Zo wordt in de wet voorzien in een voorwaardelijk uitstel van betaling. Afhankelijk van het land waarnaar de belegger verhuist, is dit betalingsuitstel ofwel automatisch (verhuis naar lidstaat EU, lidstaat EER of land dat inlichtingen uitwisselt met België en ook invorderingsbijstand verleent) ofwel moet dit worden aangevraagd en zal dit slechts kunnen worden bekomen indien de belastingplichtige een afdoende zekerheid stelt tot betaling van de eventueel verschuldigde belasting (ander land). Indien de belastingplichtige na zijn verhuis vervolgens gedurende twee jaar lang zijn cryptomunten niet verkoopt én deze ook niet het voorwerp doet uitmaken van een zakelijke zekerheidsovereenkomst [50], dan vervalt de belasting [51]. Na afloop van deze “verdachte periode” gaat de wetgever er immers vanuit dat er sprake is van een duurzame emigratie die niet is ingegeven door fiscale redenen [52].

De particuliere cryptobelegger kan een verhuis omwille van fiscale redenen dus nog steeds overwegen indien hij bereid is om zijn portefeuille pas na een periode van 2 jaar te verkopen. De geschiedenis leert dat de eurowaarde van zijn cryptoportefeuille er op dat moment natuurlijk volledig anders kan uitzien.

Inning via roerende voorheffing is niet van toepassing op crypto

In het wetsontwerp is in bepaalde gevallen voorzien in de inning van de meerwaardebelasting door middel van een roerende voorheffing van 10%. Deze voorheffing moet worden ingehouden door de in België gevestigde tussenpersoon die op enige wijze tussenkomt bij de verkooptransacties (bv. de Belgische broker in geval van een effectenrekening) [53]. De inhouding van roerende voorheffing is ‘bevrijdend’, in die zin dat de belastingplichtige niet verplicht zal zijn om zijn meerwaarden aan te geven wanneer er reeds roerende voorheffing werd ingehouden door de Belgische tussenpersoon.

Deze inning via bronheffing (met bijhorende vrijstelling van aangifteplicht) geldt echter niet voor cryptomunten. De wet beperkt de inhoudingsverplichting uitdrukkelijk tot Belgische instellingen die tussenkomen bij ofwel de verkoop van klassieke financiële instrumenten (zoals aandelen en obligaties) ofwel de uitbetaling van de hoofdsommen of afkoopwaarden van verzekeringsovereenkomsten. De principiële inhoudingsplicht is dus niet van toepassing op de Belgische tussenpersoon die een crypto-verkooptransactie faciliteert via haar beleggingsplatform [54].

De vraag of men al dan niet dient te kiezen voor een opt in (voor transacties tot en met de publicatie van de meerwaardetaks) of opt out (voor transacties vanaf de publicatie van de meerwaardetaks) stelt zich dus niet voor de cryptobelegger. Er wordt nooit voorheffing ingehouden en de cryptobelegger zal daarom vanaf 1 januari 2026 altijd verplicht zijn om de door hem gerealiseerde meerwaarden te vermelden onder een specifieke code in zijn jaarlijkse aangiften personenbelasting. Het tijdperk waarin de cryptobelegger volledig aan het zicht van de fiscus kon ontsnappen in de hypothese waarin hij een normaal beheer verdedigbaar achtte, is hiermee dus definitief ten einde.

In sommige gevallen is de speculant beter af dan de goede huisvader

De nieuwe meerwaardebelasting (nieuw artikel 90, lid 1, 9° WIB) is – zoals vermeld – enkel van toepassing in geval van normaal beheer van privévermogen (buiten beroepswerkzaamheid). In geval van abnormaal beheer (waaronder speculatie), blijft de reeds lang bestaande belasting van 33% van toepassing (huidig artikel 90, lid 1, 1° WIB).

Op het eerste zicht lijkt de cryptobelegger altijd beter af te zijn wanneer hij kwalificeert als een goede huisvader. Het belastingtarief van de nieuwe meerwaardebelasting bedraagt immers 10% (zonder gemeentebelasting [55]) en er geldt een vrijstelling ten belope van de eerste (te indexeren) 10.000 EUR. Indien een kwalificatie als abnormaal of speculatief beheer aan de orde is, geldt daarentegen een tarief van 33% (mét gemeentebelasting) en wordt op dit moment nog steeds belasting geheven vanaf de eerste euro (geen vrijstelling, ook niet voor historische meerwaarden t.e.m. 31 december 2025 trouwens).

De cryptobelegger is echter niet in alle gevallen beter af als goede huisvader. Zo bestaat er immers een fundamenteel verschil inzake de berekeningsregels:

  • In de nieuwe meerwaardebelasting is de FIFO-methode principieel van toepassing; in geval van abnormaal beheer heeft men de vrije keuze (zolang men consequent is), en kan dus bijvoorbeeld worden gekozen voor de LIFO-methode of een berekening volgens het gewogen gemiddelde.
  • In de nieuwe meerwaardebelasting zijn kosten niet aftrekbaar; in geval van abnormaal beheer zijn kosten wél aftrekbaar [56].
  • In de nieuwe meerwaardebelasting zijn minderwaarden niet overdraagbaar naar het volgende jaar; in geval van abnormaal beheer zijn minderwaarden tot vijf jaar overdraagbaar [57].
  • In de nieuwe meerwaardebelasting geldt een exit-belasting (met uitstel en ev. afstel, maar wel gekoppeld aan de verbintenis om 2 jaar niet te verkopen en een ev. zekerheidsstelling); in geval van abnormaal beheer kan de belegger meteen verhuizen zonder afrekening aan de grens.[58]

In bepaalde omstandigheden zou dit verschil in berekening er dus toe kunnen leiden dat, ondanks het lagere tarief (en ondanks de toepassing van een vrijstelling), er toch meer belasting zal moeten worden betaald door de goede huisvader dan door de speculant met een actief en/of risicovol beleggingsprofiel. In de praktijk zal dit mogelijks leiden tot een op vandaag vrij ongebruikelijke discussie waarbij de belastingplichtige argumenteert dat zijn beheer niet normaal is, terwijl de fiscus tegen-argumenteert dat dit wel het geval is.

Conclusie

De aangekondigde algemene meerwaardebelasting van 10% betekent een fundamentele wijziging voor particuliere beleggers. Dat geldt des te meer voor de private belegger in crypto-activa. Indien het wetsvoorstel de eindmeet haalt (waar wij vanuit gaan), zal vanaf 1 januari 2026 een belasting van 10% worden geheven over de gerealiseerde meerwaarden.

De concrete berekening van de belastbare meerwaarde is  juridisch en praktisch complex. Bovendien zijn kosten niet aftrekbaar, wat voor menig cryptobelegger tot aanzienlijke fiscale risico’s kan leiden. Het wetsontwerp voorziet wel in een aftrekbaarheid van minderwaarden, maar ook daar moet worden vastgesteld dat deze verrekening wordt beperkt tot meerwaarden gerealiseerd tijdens hetzelfde jaar.

Daarnaast zal de nieuwe aangifteverplichting ongetwijfeld zorgen voor veel meer transparantie t.a.v. de fiscus. Voor crypto-activa is in het wetsontwerp immers niet voorzien in een systeem van bevrijdende roerende voorheffing. Daardoor neemt ook het risico op discussies toe over de fiscale kwalificatie. De grens tussen “normaal beheer van privévermogen” (10% zonder gemeentebelasting) en abnormaal beheer van privévermogen (33% + gemeentebelasting) blijft immers vaag en zal in de praktijk ongetwijfeld leiden tot discussies. In het worst case-scenario meent de fiscale controleur zelfs een kwalificatie als beroepsinkomen te kunnen hanteren.

Een doordachte voorbereiding en correcte structurering van uw crypto-investeringen en -transacties wordt daardoor belangrijker dan ooit. Tijdige en gespecialiseerde begeleiding kan helpen om fiscale risico’s te beperken en onaangename verrassingen te vermijden.


Doorheen de laatste jaren heeft DVDTAXLAW een bijzondere expertise opgebouwd inzake cryptofiscaliteit. Ondertussen beschikt ons kantoor dan ook over een ruime en erkende ervaring in het adviseren en verdedigen van belastingplichtigen in dossiers over de fiscale behandeling van cryptomunten, crypto-transacties en andere digitale activa.

Heeft u vragen over de impact van de nieuwe meerwaardebelasting op specifieke transacties binnen uw cryptoportefeuille? Wenst u concreet fiscaal advies over uw fiscale kwalificatie (goede huisvader, abnormaal beheer of beroepsinkomen)? Of heeft u bijstand nodig bij een fiscale controle of een discussie met de fiscus?

Wij helpen u graag verder.


[1] U kan de live opgenomen videoverslagen van deze commissies terugvinden via de volgende link:  https://media.dekamer.be/ (data: 06/01/2026, 14/01/2026, 20/01/2026 en 27/01/2026).

[2] Nieuw artikel 92, §1, c) WIB92.

[3] Artikel 3, §1, 5° Verordening (EU) 2023/1114 betreffende cryptoactivamarkten, PB L 150 van 9 juni 2023, 40-205.

[4] Parl.St. Kamer 2025-2026, nr. 56, 1244/001, 27-28.

[5] De top price is de hoogste prijs waarvoor een NFT uit een bepaalde collectie is verkocht tijdens de laatste 24 uur. De floor price is de laagste prijs waarvoor één enkele NFT uit een bepaalde NFT-collectie op dat moment te koop staat op een marktplaats (de goedkoopste actieve listing).

[6] Enkel de inbreng van ‘aandelen’ in een vennootschap is vrijgesteld (nieuw artikel 96/2, 4° WIB). Wanneer een cryptobelegger beslist om zijn cryptomunten in te brengen in een vennootschap, zal hij dus rekening dienen te houden met de toepasselijkheid van de meerwaardebelasting.

[7] Dit zal menig cryptobelegger doen glimlachen, gelet op het gekende verhaal van Laszlo Hanyecz die in 2010 als eerste een fysieke transactie deed met bitcoin: hij kocht twee pizza’s voor 10.000 BTC. Naar huidige prijzen betaalde hij dus 800.000.000 EUR voor die pizza’s.

[8] Parl.St. Kamer 2025-2026, nr. 56, 1244/001, 28.

[9] Op deze overdrachten “ten kosteloze titel” zal er in principe wel schenkbelasting of erfbelasting zijn verschuldigd op de verkoopwaarde van de geschonken of vererfde cryptomunten. Deze belasting kan echter worden uitgesloten wanneer de munten voorafgaand aan het overlijden aan de begiftigde worden overgedragen via handgift of bankgift (beter: cryptogift), en de schenker niet komt te overlijden binnen de 5 jaar na de schenking.

[10] Nieuw artikel 102, §1, lid 2 WIB.

[11] Artikel 90, lid 1, 1° WIB.

[12] Parl.St. Kamer 2025-2026, nr. 56, 1244/001, 13.

[13] Nieuw artikel 102, §1, lid 2 WIB.

[14] Nieuw artikel 105, §1, lid 5 WIB: “Indien de in deze paragraaf bedoelde bedragen zijn uitgedrukt in vreemde valuta, worden zij omgezet naar euro aan de wisselkoers die geldt op het moment van de aankoop en verwezenlijking van het financieel actief”.

[15] In het bijzonder wanneer de eurowaarde van de beide cryptomunten is gestegen, maar de eurowaarde van de ene (geswapte) munt sterker is gestegen dat de eurowaarde van de andere (ontvangen) munt. Bv. Op 01/01/xx wordt 1 bitcoin (BTC) omgezet naar 50 Ethereum (ETH). Beide munten stijgen in eurowaarde en op 01/01/xx+1 wordt die 50 ETH opnieuw omgezet naar BTC, maar de cryptobelegger ontvangst slechts 0,75 BTC. In BTC-termen heeft hij dus verlies geleden (slechte trade), maar in euro-termen heeft hij nog steeds winst gemaakt, zodat er 10% meerwaardebelasting zal zijn verschuldigd op de euro-meerwaarde.

[16] Denk aan een schermafdruk van de trades op een handelsplatform of een link naar één van de vele blockchain explorers waarop de aankooptransactie kan worden teruggevonden (veelal met vermelding van de aankoopprijs op dat moment).

[17] Nieuw artikel 102, §1 in fine WIB.

[18] Nieuw artikel 102, §1, lid 4 WIB.

[19] Het is weliswaar zo dat historische meerwaarden t.e.m. 31/12/2025 worden vrijgesteld. Voor alle cryptomunten in portefeuille op 31/12/2025 zal dus in principe enkel de waarde op deze datum van belang zijn (tenzij een hogere aankoopprijs kan worden bewezen). Deze vrijstelling wordt verder in dit nieuwsbericht behandeld.

[20] Het gaat om cryptomunten die in beginsel zomaar terechtkomen in de wallet van de cryptobelegger, zonder dat daar een rechtstreekse tegenprestatie tegenover staat. De cryptomunten komen dus in feite “uit de lucht vallen”, doorgaans in het kader van de lancering, promotie of decentralisatie van een blockchainproject. De toekenning gebeurt veelal automatisch, op basis van vooraf bepaalde criteria (zoals het louter aanhouden van bepaalde cryptoactiva, eerdere interactie met een bepaald decentraal protocol of deelname aan een netwerk), en vereist geen afzonderlijke aankoopbeslissing van de ontvanger.

[21] Parl.St. Kamer 2025-2026, nr. 56, 1244/001, 44.

[22] Voorbeelden uit het verleden zijn bv. Uniswap (UNI), Arbitrum (ARB), 1Inch, BONK, Pudgy Pengiuns (PENGU) en Midnight (NIGHT).

[23] De ervaring leert dat de waarde van een nieuwe cryptomunt na een bepaalde termijn enigszins “stabiliseert” in vergelijking met de waarde op het moment van ontstaan of eerste notering op een gedecentraliseerd handelsplatform.

[24] Mining  kan – samengevat– worden gedefinieerd als het controleren (valideren) en toevoegen van transacties aan de blockchain door middel van het ononderbroken laten draaien van een softwarepakket op (krachtige) computers. De miner die er als eerste in slaagt om op deze manier een blok toe te voegen aan de blockchain ontvangt een vergoeding  in de geminede cryptomunt (een zgn. mining reward)

[25] In haar traditionele vorm vervult staking een gelijkaardige functie als mining (valideren en toevoegen van transacties aan de blockchain), maar werkt het volgens een ander mechanisme. Bij staking is geen (krachtige) computer vereist, maar is het vereist dat men zijn cryptomunten ‘vastzet’ (‘staket’) in zijn wallet om op deze manier de beste kans te maken om de volgende block te kunnen toevoegen aan de blockchain (en dus een extra cryptomunt te kunnen ontvangen als beloning). Wij merken op dat het begrip staking de laatste jaren meer wordt gebruikt als containerbegrip voor allerhande vormen van passief laten renderen van cryptomunten (ook los van de werking van de blockchain, bv. via Kraken Earn).

[26] Voorafgaande beslissing van 19 augustus 2025, nr. 2025.0418; Jaarverslag DVB 2020; Dit is ook het standpunt van de Minister van Financiën: Vraag nr. 7-1738, Vr. en Antw. Senaat 2021-2022. In sommige gevallen achten wij dit standpunt betwistbaar. Wij gaan hier in dit artikel niet verder op in.

[27] Voorafgaande beslissing van 18 maart 2025, nr. 2025.0061; Voorafgaande beslissing van 15 april 2025, nr. 2025.0123. Ook dit is in bepaalde gevallen betwistbaar, maar wij gaan hier in dit nieuwsbericht niet verder op in.

[28] Nieuw art. 102, §1, lid 3, a) t.e.m. c) WIB.

[29] Parl.St. Kamer 2025-2026, nr. 56, 1244/001, 8 en 44.

[30] Parl.St. Kamer 2025-2026, nr. 56, 1244/001, 44 en 54.

[31] Parl.St. Kamer 2025-2026, nr. 56, 1244/001, 44.

[32] Dit is geen theorie, maar heeft zich in de praktijk al veelvuldig voorgedaan: Mt.Gox (in 2014), Bitgrail (in 2018), QuadrigaCX (in 2019), Cryptopia (in 2020), FTX (in 2022), Celsius Network (in 2020), BlockFi (in 2020).

[33] Nieuw artikel 102, §5 WIB.

[34] Parl.St. Kamer 2025-2026, nr. 56, 1244/001, 55.

[35] Parl.St. Kamer 2025-2026, nr. 56, 1244/001, 55-56.

[36] Nieuw artikel 102, §5, lid 2 WIB.

[37] Nieuw artikel 102, §5, lid 3 WIB.

[38] Parl.St. Kamer 2025-2026, nr. 56, 1244/001, 54.

[39] In de praktijk meestal in csv.-formaat.

[40] Nieuw artikel 102, §4 WIB.

[41] Nieuw artikel 102, §4, lid 2, 1) WIB.

[42] De meest bekende zijn: coinmarketcap.com en coingecko.com.

[43] Nieuw artikel 102, §4, lid 4 in fine WIB; Om de hogere aanschaffingsprijs te bepalen en te bewijzen kan de belastingplichtige zich baseren op de financiële reporting die door zijn of haar financiële instelling wordt aangeleverd met betrekking tot de stand van de effectenportefeuille op 31 december 2025 (Parl.St. Kamer 2025-2026, nr. 56, 1244/001, 53). Hoewel de meest bekende cryptohandelsplatformen normaalgezien niet automatisch een kwartaaloverzicht opmaken, kan dit in vele gevallen worden opgevraagd. Bij bepaalde cryptoplatformen geeft men hierbij ook daadwerkelijk de gemiddelde aankoopprijs weer.

[44] Nieuw artikel 102, §4, lid 4 WIB.

[45] Nieuw artikel 96/2, 3° WIB.

[46] Wanneer twee echtgenoten vanuit het gemeenschappelijke vermogen belegd hebben, betekent dit dat iedere echtgenoot een beroep kan doen op een maximale vrijstelling van 15.000 euro, waardoor de totale vrijstelling 30.000 euro zal bedragen (Parl.St. Kamer 2025-2026, nr. 56, 1244/001, 37).

[47] Artikel 99bis and 99ter Loi modifiée du 4 décembre 1967 concernant l’impôt sur le revenu (L.I.R.)

[48] §23 Einkommensteuergesetz (EStG).

[49] Nieuw artikel 92, §2, 2° WIB.

[50] Om elke discussie met de fiscus uit te sluiten, is het aanbevolen om na de verhuis gedurende een periode van twee jaar geen gebruik te maken van (decentrale) leningsprotocollen – zoals Aave, Compound of MakerDAO – waarbij cryptomunten aan derden ter beschikking worden gesteld of als onderpand worden aangewend.

[51] Nieuw artikel 413/1 WIB.

[52] Parl.St. Kamer 2025-2026, nr. 56, 1244/001, 75.

[53] Nieuw artikel 261, lid 1, 5° WIB.

[54] Wij merken op dat er momenteel geen Belgische tussenpersoon (meer) bestaat die toelaat om crypto te verhandelen. Het eerste en enige Belgische cryptoplatform Bit4you moest zijn activiteiten in april 2023 opschorten, na verlies van zijn licentie door het faillissement van serviceprovider CoinLoan uit Estland. Hoewel Revolut sinds mei 2025 bankrekeningen aanbiedt met een Belgisch IBAN-nummer (en beschikt over een “Belgian Branch”), worden de cryptoactivadiensten hoe dan ook aangeboden door een dochteronderneming gevestigd op Cyprus. Naar verluidt zou KBCplannen hebben om cryptohandel mogelijk te maken via haar beleggingsplatform Bolero. Dit staat momenteel gepland voor februari 2026. Op moment van het schrijven van dit nieuwsbericht is dit nog niet actief.

[55] Nieuw artikel 466, lid 2 WIB.

[56] Artikel 97 WIB.

[57] Artikel 103, §1 WIB.

[58] De gelijkstelling van een verhuis met een overdracht ten bezwarende titel geldt enkel in geval van “een in artikel 90, eerste lid, 9°, bedoelde overdracht onder bezwarende titel” (nieuw artikel 92, §2 WIB).

Doolaege, Verbist & De Meyere BV
Koning Albertlaan 165
9000 Gent
BE 0647.999.788

+32 (0) 9 242 80 10
info@dvdtaxlaw.be