De Belgische meerwaardebelasting vanaf 2026: twee nieuwe vrijstellingen en een kritische Raad van State
Sinds midden juni 2025 circuleert er in fiscale kringen reeds een ‘voorontwerp’ van wet dat voorziet in de invoering van een nieuwe algemene meerwaardebelasting op financiële activa. De principes van dit ‘voorontwerp’ hebben wij reeds uitvoerig besproken in een vorig nieuwsbericht met als titel “De nieuwe Belgische meerwaardebelasting vanaf 1 januari 2026: een overzicht”.
Op 17 december 2025 blijkt de volgende etappe in het wetgevend proces te zijn ingezet, nl. de indiening van het ‘wetsontwerp’ in het parlement.
Uit de tekst van dit recente wetsontwerp blijkt dat de eerder uitgewerkte wettelijke regeling op verschillende punten wordt gewijzigd en aangevuld in vergelijking met de tekst van het voorontwerp. Ook het grote publiek krijgt hiermee eindelijk inzage in het advies van de Raad van State.
Korte herhaling
Net zoals het oorspronkelijk door de Regering goedgekeurde voorontwerp, voorziet ook het recent bij de Kamer ingediende wetsontwerp in drie categorieën van meerwaarden op financiële activa die vanaf 1 januari 2026 als diverse inkomsten belastbaar zullen zijn:
- De eerste categorie betreft de zgn. “interne meerwaarden”.
Deze meerwaarden zullen vanaf 1 januari 2026 worden belast aan een vlak tarief van 33% (zonder vrijstelling van een eerste schijf). - De tweede categorie zijn de meerwaarden die worden verwezenlijkt in het kader van een “aanmerkelijk belang”.
Deze meerwaarden zullen vanaf 1 januari 2026 worden belast aan een progressief tarief van 1,25% tot 10% (met een vijfjaarlijkse vrijstelling van de eerste schijf van 1.000.000 EUR). - De derde categorie betreft de meerwaarden die worden verwezenlijkt op alle andere financiële activa die niet onder één van de eerste twee categorieën vallen (restcategorie).
Deze meerwaarden zullen vanaf 1 januari 2026 worden belast aan een vlak tarief van 10% (met een jaarlijkse vrijstelling van de eerste schijf van 10.000 EUR per belastingplichtige, die kan oplopen tot 15.000 EUR na vijf jaar).
–
In ons vorig nieuwsbericht werd reeds opgemerkt dat een meerwaarde enkel zal vallen onder één van deze drie nieuwe categorieën indien de meerwaarde wordt gerealiseerd in het kader van een “normaal beheer van privévermogen” (beheer als een goede huisvader). Daarnaast zal de fiscus dus nog steeds toepassing kunnen maken van de nu reeds bestaande belasting van 33% in geval van “abnormaal beheer” of speculatie. Dit wordt nu met zoveel woorden ook bevestigd door de Raad van State: “voor de met het voorontwerp beoogde meerwaarden gerealiseerd buiten de normale verrichtingen van het beheer van een privévermogen, geldt nog steeds het huidige artikel 90, eerste lid, 1°, van het WIB 92” [1]. En ook in de impactanalyse wordt dit zo bevestigd: “Het oude stelsel blijft bestaan voor de verrichtingen die buiten het normale beheer van een privévermogen vallen alsook voor de verrichtingen die betrekking hebben op andere vermogensbestanddelen dan de financiële activa die onder de nieuwe regeling vallen”.
Bewijs van de minderwaarden
De algemene meerwaardebelasting van 10% zal van toepassing zijn op de “netto-meerwaarde” op jaarbasis. Dit wil zeggen: de tijdens een bepaald jaar gerealiseerde meerwaarden verminderd met de tijdens datzelfde jaar gerealiseerde minderwaarden. Er is geen overdraagbaarheid van minderwaarden naar het volgende jaar. Ook kosten en belastingen zijn niet aftrekbaar.
Als aanvulling op het voorontwerp wordt dienaangaande uitdrukkelijk in de tekst van de wet ingeschreven dat minderwaarden zullen kunnen worden bewezen “met alle middelen van gemeen recht (met uitzondering van de eed)”. Voor een klassieke effectenrekening zal, naast de gewone rekeningafschriften, bijvoorbeeld ook een schermafdruk uit de beleggingsapp als bewijs kunnen dienen. Voor cryptorekeningen lijkt het bewijs op basis van een uittreksel uit één van de vele crypto-taxcalculators (zoals bv. Koinly, Summ of CoinTracking) hierdoor als bewijs te kunnen dienen (op voorwaarde dat de cryptobelegger het csv-bestand ter beschikking houdt van de fiscus).
Twee nieuwe vrijstellingen
Een belangrijke nieuwigheid in vergelijking met het aanvankelijke voorontwerp betreft de uitdrukkelijke toepasselijkheid op uitonverdeeldheidtredingen. Hoewel er in de memorie van toelichting bij het voorontwerp nog werd gesteld dat uitonverdeeldheidtredingen niet zouden worden gevat door de meerwaardebelasting (geen “overdracht ten bezwarende titel”), is dit niet langer het geval in definitieve tekst van het wetsontwerp. In principe zal dus ook de verdeling van een onverdeeldheid tussen deelgenoten kunnen leiden tot realisatie van een belastbare meerwaarde. In het wetsontwerp wordt daarbij weliswaar meteen voorzien in een specifieke uitzondering voor de “meerwaarden op financiële activa (…) gerealiseerd naar aanleiding van een uitonverdeeldheidtreding die binnen de drie jaar voortvloeit uit een overlijden, een echtscheiding, het einde van een wettelijke samenwoning of het einde van een feitelijke samenwoning” [2]
Daarnaast wordt in het wetsontwerp ook een nieuwe vrijstelling toegevoegd voor de inkomsten die al zijn belast in het kader van de kaaimantaks [3].
Verduidelijkingen inzake de opt-out regeling
Het wetsontwerp behoudt het principe dat de meerwaarden die worden gerealiseerd op klassieke financiële instrumenten en verzekeringsovereenkomsten onderworpen zijn aan een roerende voorheffing van 10%. De belegger (of verzekeringnemer) beschikt evenwel over de mogelijkheid om aan zijn Belgische broker of verzekeraar te vragen om toch geen roerende voorheffing in te houden (de zgn. opt-out regeling). Op deze manier vermijdt hij een prefinanciering van de meerwaardetaks, maar zal hij de gerealiseerde meerwaarden dan wel moeten aangeven in zijn aangifte personenbelasting (met prijsgave van zijn anonimiteit).
In aanvulling op het voorontwerp, wordt in het wetsontwerp gesteld dat deze keuze van toepassing blijft “totdat zij door minstens één titularis of rechthebbende wordt herroepen”. Ook wordt uitdrukkelijk bepaald dat “een herroeping slechts eenmaal per belastbaar tijdperk kan plaatsvinden en slechts uitwerking heeft vanaf het daaropvolgende belastbare tijdperk”.
In het wetsontwerp is voorts ook nog opgenomen dat de keuze om geen roerende voorheffing te laten inhouden ten laatste op 30 juni 2026 kenbaar moet worden gemaakt aan de broker of verzekeraar. De keuze zal dan alsnog van toepassing zijn voor het gehele inkomstenjaar 2026.
Advies van de Raad van State
Tenslotte is het interessant om ook nog even stil te staan bij het advies van de Raad van State.
In haar advies benadrukt de Raad van State vooreerst de grote beleidsvrijheid van de wetgever in fiscale zaken. De Raad van State kan dit dus slechts in beperkte mate bekritiseren.
Over de onderstaande vier aspecten stelt de Raad van State zich echter de vraag of dit in overeenstemming is met het gelijkheidsbeginsel.
De meerwaardebelasting is enkel van toepassing op drie categorieën van financiële activa, en niet op bv. digitale kunstwerken, zilver, palladium en postzegelverzamelingen
Uit de ruimere tekst van het wetsontwerp blijkt dat de Regering dit onderscheid verantwoordt vanuit:
- De veel grotere verhandelbaarheid van financiële activa in vergelijking met niet-financiële activa,
- De betere opvolgbaarheid en traceerbaarheid van de realisatie van een meerwaarde op financiële activa omwille van de financiële en regulatoire rapportage (zoals bv. boekhoudverplichtingen, MiFID-rapportering, internationale gegevensuitwisseling op fiscaal vlak) [4],
- De budgettaire financiële doelstelling: de belasting treft de primaire activacategorie voor beleggings- en investeringsdoeleinden, en
- De getaxeerde financiële activa worden “vanuit een beleggersstandpunt als voldoende onderling inwisselbaar (substituten) beschouwd”.
–
De Raad van State stelt vast dat diezelfde verantwoording niet verklaart waarom dan ook de meerwaarden op niet-beursgenoteerde aandelen worden getaxeerd. Het wordt aanbevolen om hierover een bijkomende verantwoording op te nemen in de Memorie van Toelichting.
Dezelfde vraag kan trouwens ook worden gesteld voor wat betreft het onderscheid tussen beleggingsgoud (wel belastbaar) en zilver (niet belastbaar). Ook voor dit verschil in behandeling lijkt het ons noodzakelijk om hier een uitdrukkelijk motivering voor op te nemen in de parlementaire voorbereiding.
De fiscale gunstregeling voor aanmerkelijk belang
Ter verantwoording van de veel grotere vrijstelling en lagere tarieven bij de verkoop van aandelen door de houder van een “aanmerkelijk belang” (aandelenpakket van minstens 20%), wordt door de Regering verwezen naar:
- de sanering van de overheidsfinanciën,
- het vermijden dat personen die hun eigen vennootschap hebben opgericht om hun beroepsactiviteit uit te oefenen en daarbij een meerwaarde realiseren, worden ontmoedigd om een economische activiteit te ontplooien, en
- het vermijden dat Belgische vennootschappen minder aantrekkelijk worden voor externe financiering of voor het ontplooien van ondernemersinitiatieven.
–
Ook de specifieke grens van 20% wordt bijkomend verantwoord onder verwijzing naar de praktijk (in bv. de EU-concentratieverordening) waarbij een percentage van “minstens 20%” wordt beschouwd als een indicatie van significante invloed op het beleid van de onderneming. In zo’n gevat gaat de Regering ervan uit dat men “de aandelen niet aanhoudt louter als belegger doch eerder als een strategische aandeelhouder”.
De vrijstelling voor instellingen die in aanmerking komen om giften te ontvangen die in aanmerking komen voor een belastingvermindering
De meerwaardebelasting is ook van toepassing op meerwaarden die worden gerealiseerd door belastingplichtigen die onderworpen zijn aan de rechtspersonenbelasting (zoals vzw’s en stichtingen). In de wet wordt echter een uitzondering gemaakt voor de meerwaarden die worden gerealiseerd door instellingen die giften kunnen ontvangen die in aanmerking komen voor een belastingvermindering (zoals bv. het Rode Kruis).
Deze vrijstelling wordt door de Regering verantwoord vanuit hun “doel van algemeen belang”, hetgeen ook aan controle en inspectie is onderworpen.
De inning via roerende voorheffing is enkel voorzien bij gewone meerwaarden op klassieke financiële instrumenten en verzekeringsovereenkomsten
Net zoals het voorontwerp, wordt de inning via (bevrijdende) roerende voorheffing beperkt tot gewone meerwaarden op klassieke financiële instrumenten en verzekeringsovereenkomsten. De inning via roerende voorheffing (en het daarbij horende behoud van anonimiteit) is dus niet voorzien voor: interne meerwaarden, aanmerkelijk belang meerwaarden, crypto-activa en valuta. De meerwaarden die worden gerealiseerd op deze laatste categorieën zal de belastingplichtige dus steeds moeten vermelden in zijn aangifte (en daardoor verliest hij dus zijn anonimiteit).
Dit onderscheid (ene categorie wel RV, andere categorie geen RV) wordt door de Regering verantwoord vanuit de overweging dat de niet aan RV onderworpen meerwaarden niet eenvoudig zouden kunnen worden berekend door de financiële tussenpersoon. Dit zou er volgens de Regering toe kunnen leiden dat er teveel roerende voorheffing wordt ingehouden.
De Raad van State is terecht niet overtuigd van deze verantwoording. De motivering vanuit de bekommernis dat er teveel roerende voorheffing zou worden ingehouden, is immers in tegenspraak met het feit dat de roerende voorheffing sowieso wordt berekend zonder rekening te houden met de wettelijke vrijstellingen, minderwaarden van hetzelfde jaar of een ev. hogere aankoopprijs dan de waarde op 31 december 2025. Ook bij meerwaarden op de klassieke financiële instrumenten en verzekeringsovereenkomsten zal er dus (in de meeste gevallen) teveel belasting worden ingehouden door de Belgische tussenpersoon.
Naar onze mening gaat de door de Regering aangevoerde motivering trouwens ook niet op voor de uitsluiting van crypto. Ook de meerwaarde gerealiseerd bij de verkoop van een cryptomunt kan immers eenvoudig worden berekend door het handelsplatform, dit in het bijzonder wanneer deze munt werd aangekocht en verkocht op dezelfde gecentraliseerde crypto-exchange.
Bronnen
Hieronder vindt u de officiële tekst van het wetsontwerp (incl. de aangepaste memorie van toelichting en het advies van Raad van State):
Hoewel de inwerkingtreding van de meerwaardebelasting al is voorzien vanaf 1 januari 2026, is deze wet nog niet definitief. Het parlementaire debat moet nog worden gevoerd en aanpassingen blijven mogelijk. Ook de uiteindelijke administratieve standpunten en circulaires zullen cruciaal zijn voor de praktische toepassing vanaf 1 januari 2026.
DVDTAXLAW volgt deze hervorming van nabij op.
Heeft u vragen over de impact van deze hervorming op uw persoonlijke of professionele beleggingsportefeuille, of wenst u tijdig te anticiperen op 2026, dan kan u steeds contact opnemen met ons kantoor voor een gerichte analyse en begeleiding op maat.
[1] Parl.St. Kamer 2025-2026, 56, nr. 1244/001, 107, voetnoot 2.
[2] Nieuw artikel 96/2, 8° WIB.
[3] Nieuw artikel 96/2, 7° WIB.
[4] Met betrekking tot crypto wordt hierbij trouwens uitdrukkelijk verwezen naar “de visibiliteit op de blockchain”. Nochtans moet worden opgemerkt dat deze ‘visibiliteit’ niet (in dezelfde mate) bestaat bij zgn. privacy coins zoals Monero (XMR) of ZCash (ZEC). Daarnaast is het zo dat cryptomunten ook kunnen worden aangekocht op decentrale handelsplatformen (decentralised exchanges, DEXs). De motivering op basis van de “financiële en regulatoire rapportage” speelt per definitie niet voor crypto’s die worden aangekocht op deze platformen (zonder centrale tussenpersoon).

