Doolaege, Verbist & De Meyere
Voordelen alle aard bewoning: geen ambtshalve ontheffing op grond van de arresten van de hoven van beroep
08-12-2020

Zoals wij reeds eerder toelichtten* voorzag het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen dat het bedrag van het voordeel van alle aard voor de bewoning van een onroerend goed vóór 1 januari 2019, verhoogd diende te worden met een coëfficiënt (3,8) wanneer dit onroerend goed door een rechtspersoon ter beschikking wordt gesteld. De hoven van beroep te Gent en te Antwerpen oordeelden dat deze regel het gelijkheidsbeginsel schendt en dat ook in het geval een rechtspersoon een woning ter beschikking stelt aan een werknemer of een bedrijfsleider het belastbaar voordeel moet worden geraamd op 100/60 van het geïndexeerd kadastraal inkomen van die woning, in voorkomend geval verhoogd met 2/3 wanneer het een gemeubileerde woning is, zonder dat de coëfficiënt van 3,8 dient te worden toegepast. Dit werd ook zo bevestigd door de administratie in een circulaire d.d. 15 mei 2018.

 

huisje met rekenmachine

 

Een aspect waar nog geen volledige duidelijkheid over bestond/bestaat, is de vraag of de belastingplichtige die belast werd op het voordeel waarbij de coëfficiënt van 3,8 werd toegepast, voor wat betreft de aanslagen waarvoor geen tijdig bezwaarschrift meer kon worden ingediend, een verzoek tot ambtshalve ontheffing kan/kon indienen.

 

In dit kader werd door verschillende belastingplichtigen geargumenteerd dat de arresten van de hoven van beroep kwalificeren als nieuwe bescheiden of feiten, op grond waarvan ambtshalve ontheffing dient te worden verleend. Van belang hierbij is dat de wettelijke bepaling inzake ambtshalve ontheffing expliciet bepaalt dat “een wijziging van jurisprudentie” niet als een nieuw gegeven wordt beschouwd. Het Grondwettelijk Hof heeft in het verleden evenwel geoordeeld dat een arrest van het Grondwettelijk Hof wél beschouwd kan worden als een nieuw bescheid of feit. De vraag lag dus voor of naar analogie met deze rechtspraak van het Grondwettelijk Hof ook beslissingen van gewone rechtbanken en hoven konden kwalificeren als een nieuw bescheid of feit.

 

Het Grondwettelijk Hof heeft deze vragen in haar arrest van 26 november 2020 beantwoord.

 

Het Grondwettelijk Hof oordeelt dat een beslissing van hoven en rechtbanken niet kwalificeert als een nieuw bescheid of feit dat aanleiding kan geven tot ambtshalve ontheffing.

 

Gelet op dit arrest van het Grondwettelijk Hof zijn de slaagkansen van het argument dat de arresten van de hoven van beroep te Gent en te Antwerpen kwalificeren als een nieuw gegeven dat kan leiden tot een ambtshalve ontheffing, tot een minimum herleid.

 

De vraag stelt zich evenwel of er in de betreffende procedures alsnog om ambtshalve ontheffing gevraagd kan worden op basis van andere gegevens die zouden kwalificeren als een nieuw feit/gegeven.

 

Reeds in ons vorig nieuwbericht* wezen wij erop dat ook geargumenteerd kan worden dat de circulaire van de administratie op zich een nieuw bescheid/feit is, op basis waarvan een verzoek tot ambtshalve ontheffing kan worden ingediend.

 

Door het Grondwettelijk Hof wordt o.i. geen uitspraak gedaan over de vraag of de circulaire op zich al dan niet kwalificeert als een nieuw feit. Het Hof stelt dienaangaande alleen dat “het feit dat de belastingadministratie in een circulaire zou beslissen om voor de toekomst de door de hoven en rechtbanken vastgestelde discriminatie ongedaan te maken of dat het bestuur die regelgeving voor de toekomt aanpast” de vaststelling dat beslissingen van hoven en rechtbanken niet kunnen worden beschouwd als een nieuw gegeven, niet wijzigt.

 

Ook de rechtbanken en hoven hebben zich dienaangaande nog niet uitgesproken. De toekomst zal duidelijkheid moeten brengen of de hoven en rechtbanken zich ook op dit punt streng opstellen.

 


*de eerder op onze website gepubliceerde artikels :


 

INFORMATIE ? CONTACTEER :